Archeologie en Publiek

jaargang 1 nummer 1, december 1990

 

SCHATTEN MOGEN WEER! BESPREKING TENTOONSTELLING 'SCHATKAMER VAN GELDERSE OUDHEDEN'

Evert van Ginkel

Provinciaal Museum G.M. Kam bood op 6 april de VAP, naast gastvrijheid, ook de gelegenheid om onder begeleiding van de samenstellers Schatkamers van Gelderse Oudheden te bekijken. Van te voren was met Antoinette Gerhartl en Louis Swinkels, twee van de drie organisatoren, overeengekomen dat zij het bezoek zouden inleiden, tijdens het bekijken enige toelichting zouden geven en na afloop kritische en belangstellende vragen zouden beantwoorden. Uiteraard ging het hierbij om vorm en opzet van de tentoonstelling als zodanig en minder om de archeologische inhoud.

Voorbereiding en opzet
Het vroegere Rijksmuseum G.M. Kam is sinds 1987 het archeologisch museum van de Provincie Gelderland, met een functie als provinciaal depot en een steunfunctie voor andere musea. Als zodanig heeft het van oorsprong provinciaal-Romeinse museum nu ook een taak op het gebied van de prehistorische en middeleeuwse archeologie.
Om deze nieuwe opzet te presenteren werd een grote tentoonstelling georganiseerd, waarvoor de provincie ƒ 100.000,- aan subsidie, benevens hand- en spandiensten, ter beschikking stelde. Daarnaast werd van sponsorgelden gebruik gemaakt.
Voor de vormgeving werden Dick Letema en Igor Santhagens aangetrokken. Letema, die in het verleden al een aantal opdrachten voor Kam had uitgevoerd, kreeg als instructie een 'geheel nieuw gezicht' te laten zien, dat wil zeggen: niet zo strak te werken als hij gewoon is. Het is mij niet bekend of die instructie zich ook uitstrekte tot het begeleidende boek: dat is in ieder geval wel ouderwets-Letema-strak, met veel wit, uitgevoerd. Het boek is niet bedoeld als catalogus maar heeft natuurlijk inhoudelijk wel verband met de expositie. Het is de eerste full-colour publicatie van Kam, en ook de strooifolder is de eerste die ooit bij een tentoonstelling in dit museum werd gemaakt.
Uitgangspunt voor de tentoonstelling was, dat er alleen vondsten van Gelderse bodem zouden worden getoond, en dat naast Romeinse ook prehistorische en middeleeuwse voorwerpen zouden worden opgenomen. Het gekozen thema 'schatten' werd ruim uitgelegd: schatten zijn op deze tentoonstelling zaken die zeldzaam of exotisch waren, waarvan de fabricage veel inspanning en vaardigheid vereiste, of die gebruikt werden bij speciale gelegenheden of een symbolische betekenis hadden. Een schat hoeft binnen dit kader dus niet alleen kostbaar (in financiële zin) te zijn. Het blijft natuurlijk een vraag of de vroegere makers en/of eigenaars al deze produkten als 'schat' zullen hebben gewaardeerd. Naar mijn mening doen de tempel van Elst en de villa van Druten die op de tentoonstelling als 'schat' zijn opgevoerd, ook binnen dit ruime kader wat gedwongen aan.
De opzet was aanvankelijk chronologisch, maar dat zou een wel erg duidelijke nadruk leggen op de Romeinse component. Vandaar dat voor een thematische aanpak werd gekozen, waarbij het Romeinse aandeel weliswaar groot blijft maar waarvan de dominantie nu minder in het oog loopt.

Vormgeving
Swinkels gaf een reeks moeilijkheden aan waarmee hij en zijn mede-organisatoren te kampen hadden gehad bij het inrichten van de Schatkamer. Wie Museum Kam kent, weet dat er geen aparte expositieruimte is en de inrichting weinig flexibel is. Voor een grotere tentoonstelling moet het gehele museum tijdelijk worden gesloten. Onder zulke omstandigheden kan een directie ook weinig ervaring opdoen bij het organiseren van een expositie van deze omvang. Dat gebrek aan ervaring was volgens Swinkels vooral merkbaar bij de beteksting, hoewel naar mijn mening zowel de teksten bij de tentoonstelling als in het boek van een grote helderheid waren. Wel waren de eerste aan de lange kant; daarover hieronder meer.
Mijn eerste indruk bij het betreden van de tentoonstelling was, dat niet geheel duidelijk was waar je moest beginnen en hoe je verder moest. De kop en inleidingstekst waren zodanig klein uitgevallen, dat je er gemakkelijk overheen las en in ieder geval niet de indruk kreeg dat dit de handleiding, de 'leeswijzer' was voor de rest.
In de centrale hal was niet alleen het thema 'begraven' ondergebracht, maar ook een aantal visuele extra's in de vorm van kijkgaatjes in een kaart van Gelderland en kleine schatten in oude laden. De bedoeling hiervan in het grote geheel ontging mij persoonlijk.
Ik had vervolgens (dat gold ook voor andere bezoekers) moeite met het vinden van de juiste looproute. Dit is zeker ook een gevolg van de indeling van het gebouw zelf. Vanaf het moment dat men linksaf in de 'wapenzaal' kwam was de looprichting volkomen vanzelfsprekend.
Wat de vormgeving en opstelling van vitrines betreft moet ik zeggen dat Letema's traditionele, heldere stijl mij beter bevalt dan de afwijkende oplossingen die hij nu moest kiezen. Daarbij stoorden de gebruikte kleuren -- kennelijk een bron van ergernis van nogal wat bezoekers -- mij minder dan de erg uiteenlopende vitrinevormen. In de eerste zaal waren de beruchte depotvitrines met hangsloten, die enige jaren geleden zijn dichtgeverfd, weer opengemaakt. Samen met een wel erg vlakke opstelling der voorwerpen boden deze vitrines een gedateerde aanblik, zeker in vergelijking met de rest van het expositiemateriaal. In de laatste zaal hadden de eigen losse vitrines van het museum een houten ombouw gekregen en waren afgewerkt op dezelfde manier als de speciaal gebouwde opstellingen. Dit was ongetwijfeld een omslachtige operatie maar was volgens mij toch ook een goede oplossing geweest voor de depotvitrines.
De grote opstellingen met grafvondsten in de centrale hal leken weggelopen uit de ROB/RMO-tentoonstelling Nederland Onderste Boven uit 1988, gezien de gebruikte hoeveelheden ongeverfd hout. Ik vond het, evenmin als twee jaar geleden, niet erg fraai.
Overigens lag het in de bedoeling het hout een andere finish te geven, maar dat stuitte in de laatste fase op technische problemen. Mijn voorkeur ging onvoorwaardelijk uit naar de grote opstelling in de laatste zaal, waarbij het kleurpalet wat minder wild had gekund maar mij, zoals gezegd, niet deerde. Er waren, vertelde Swinkels, nogal wat negatieve reacties binnengekomen op de vormgeving: die zou afbreuk doen aan de voorwerpen. Ik ben het daar niet mee eens; vooral de fraai uitgevoerde kleine perspexvitrines in de laatste zaal maakten het mogelijk om de voorwerpen (waarvan vele inderdaad schatten, naar onze maatstaven) zeer gedetailleerd te bekijken.
Verder hadden veel mensen moeite met de 'scheve' teksten. Die scheefheid was optisch bedrog, veroorzaakt door een vormtechnisch grapje. Het gebruik van witte letters op zwarte achtergrond voor langere teksten doet meer afbreuk aan de leesbaarheid van een tekst dan zo'n onderbreking van de rechte lijnen. Als bijschrift vond ik de teksten op het eerste gezicht te lang, maar ik moet bekennen dat ik veel ervan toch ben gaan lezen, puur uit belangstelling voor het getoonde voorwerp. Dit gold weer vooral voor de laatste zaal, waar je met je neus op de voorwerpen stond.
Mogelijk veroorzaakt dit nauwe contact ook een verhoogde behoefte aan detailinformatie. Overigens waren ook hier de koppen erg klein, zodat de bezoeker niet meteen in het onderwerp wordt 'getrokken'.
Tenslotte nog twee losse notities: complimenten voor de technische uitvoering van de diverse speciaal gemaakte reconstructies, maquettes en replica's, en de constatering dat het gebruik van tijdbalken bij dit soort tentoonstellingen een moeilijke opgave blijft. Een tijdbalk als mogelijkheid tot chronologische referentie wordt doorgaans als onmisbaar ervaren maar het lukt meestal maar matig om die duidelijk te houden en zeker om hem goed in het geheel te integreren. De hier gebruikte tijdbalk vond ik niet minder dan een puzzel, waarvan de oplossing niet direct voor de hand lag.

Besluit
Het valt niet mee om een recensie te schrijven met een groot aantal kritische kanttekeningen en toch de indruk te wekken dat het geheel de moeite waard is. Wat dat betreft zijn de recensies die ik gewoon ben voor de krant te schrijven anders dan deze. Hier is op veel details ingegaan in de verwachting dat de professionele lezer ze ook als details zal herkennen en er het relatieve en persoonlijke van zal inzien.
Het geheel vond ik namelijk wel degelijk de moeite waard. De tentoonstelling heeft laten zien dat 'schatten' zonder gêne getoond kunnen worden en behalve een mooi uiterlijk ook een belangwekkende achtergrond hebben. Inhoudelijk was de expositie dermate degelijk dat de gesignaleerde zwakheden in de vormgeving (niet te wijten aan de vormgevers alleen) daar weinig afbreuk aan kunnen doen.
Tenslotte vind ik, geheel los van de vorm en inhoud van de tentoonstelling zelf, dat het van onverschrokkenheid getuigt om ondanks de beperkingen van het gebouw en het gebrek aan ervaring met dit soort projecten, te trachten zowel qua vorm als qua inhoud -- prehistorie en middeleeuwen zijn in Kam tijdens deze tentoonstelling geïntroduceerd -- het onderste uit de kan te halen. Ook de uiterst bereidwillige en open manier waarop we deze en andere zaken op 6 april hebben besproken geeft aan dat deze directie het museum een eigen, nieuw gezicht heeft gegeven.

 

inhoudsopgave | vorig artikel | volgend artikel | alle artikelen