|
Archeologie en Publiek jaargang 1 nummer 1, december 1990
PARADISE LOST. DE OUDE STEENTIJD VORMGEGEVEN IN VIER TENTOONSTELLINGEN Arnold Carmiggelt en Dick Stapert Het Paleolithicum lijkt in de mode te zijn. In het najaar van 1990 vonden maar liefst vier tentoonstellingen over de oudste periode van de prehistorie tegelijkertijd plaats: één in Brussel, één in Tongeren, en twee (samenhangende) exposities in Maastricht. Ter gelegenheid van deze tentoonstellingen verschenen er catalogi en een boek, en de pers (dag- en weekbladen, radio en televisie) besteedde de nodige aandacht aan deze evenementen. Reden genoeg om deze exposities kort te bespreken en onderling te vergelijken. De tentoonstelling 5 miljoen jaar menselijk avontuur was gelokaliseerd in het Paleis der Schone Kunsten te Brussel. In de begeleidende folder lezen we: 'Deze groots opgezette internationale tentoonstelling verzamelt een prestigieus geheel van authentieke getuigenissen in verband met de biologische en culturele evolutie van de mensheid, en dit voor de eerste maal ter wereld.' Inderdaad, samenstellers Jean-Paul Caspar en Anne Hauzier hebben een unieke collectie originele topstukken bijeengebracht. Natuurlijk gebeurde dat niet voor de eerste keer in de wereld; in het laatste decennium zijn er meerdere vergelijkbare tentoonstellingen geweest (bijvoorbeeld in Parijs en Tubingen; de catalogus van de laatste tentoonstelling, gehouden in 1987, kon je zelfs kopen in Brussel). De tentoonstelling in Brussel was duidelijk niet opgezet om op didactisch verantwoorde wijze uit te leggen hoe de menselijke evolutie is verlopen, wat artefacten ons kunnen zeggen, of welke ideeën er bestaan over de rol van de kunst in de Oude Steentijd. De samenstellers hadden een duidelijke keuze gemaakt en die consequent doorgevoerd in de opzet van de expositie, namelijk om de voorwerpen in het middelpunt te stellen. De bezoeker werd gestimuleerd zelfstandig te kijken, te ontdekken, en te beleven. Voor degenen die meer inhoudelijke informatie over het Paleolithicum wensten, was het noodzakelijk om voorafgaand aan het museumbezoek de catalogus door te nemen. De catalogus verdient veel lof. Alle tentoongestelde voorwerpen zijn op prachtige kleurenfoto's afgebeeld, en over elk stuk is achterin aparte informatie opgenomen, die over het algemeen zeer adequaat is. Verder is een aantal teksten opgenomen die tesamen voor de context van het tentoongestelde moeten zorgen; alleen de beelden van Lepenski Vir moeten het zonder achtergrondinformatie stellen. Omdat in de tentoonstelling zelf weinig uitleg wordt verschaft is het boek te beschouwen als een belangrijk onderdeel van de expositie, zodat een korte bespreking van de opgenomen teksten hier niet achterwege kan blijven. Yves Coppens behandelt de evolutie van de mens aan de hand van zes 'hoofdrolspelers' (Aeyptopithecus, Proconsul, Kenyapithecus, pre-Australopithecus (= A. afarensis), Australopithecus en Homo). Het is een begrijpelijke tekst, waarin actuele problemen niet uit de weg worden gegaan. Zo vindt Coppens, in tegenstelling tot veel van zijn collega's, dat ook Australopithecus waarschijnlijk werktuigen vervaardigde. Merkwaardig is dat hij in dat verband ook verwijst naar een bekende publicatie van R.A. Dart, die meende dat de Australopithecus een ‘osteodontokeratische’ cultuur bezat, d.w.z. werktuigen maakte van gewei, hoorn, bot e.d. Recenter onderzoek, vooral door C.K. Brain, heeft echter waarschijnlijk gemaakt dat deze 'werktuigen' ontstonden door allerlei natuurlijke processen. Ook interessant is zijn mening dat Homo habilis door aaseten én door jacht aan zijn voedsel kwam; tegenwoordig zijn veel onderzoekers geneigd te denken dat het aandeel van de jacht minimaal was. Coppens benadrukt de rol van toenemende seizoensfluctuatie, vanaf ongeveer 35 miljoen jaar geleden, bij de adaptatieprocessen die tot het ontstaan van de mens leidden. Alles bij elkaar is 5 miljoen jaar menselijk avontuur een schitterende expositie. Het enige dat ons stoorde was het mystieke sfeertje ('Waar komen we vandaan en waar gaan we heen?', aldus Ludo Hellemans in De Volkskrant van 15 september 1990) dat bij de ingang aan de tentoonstelling werd meegegeven, middels citaten van onder meer Ibsen en Teilhard de Chardin. Gelukkig bleef de bezoeker in de rest van de tentoonstelling gevrijwaard van deze zweverige sfeer. De exposities te Tongeren en Maastricht waren totaal anders van opzet. Hier werd juist geprobeerd een beeld te schetsen van het leven in de Oude Steentijd, en te laten zien hoe zo'n beeld ontworpen kan worden. Rendierjagers. Prehistorische tentenkampen nabij de Maas was de titel van de expositie in het Gallo-Romeins Museum te Tongeren. Dit is de laatste expositie in het bestaande gebouw. Hierna zal het museum enige jaren buiten bedrijf zijn terwijl een nieuw onderkomen gebouwd wordt; men wil zich daama op een veel groter publiek richten dan tot nu toe het geval was. De tentoonstelling wordt begeleid door een goed verzorgde catalogus. Samensteller Guido Creemers schreef hierin enkele algemene teksten (evolutie van de mens, de ijstijden, flora en fauna van het Laatglaciaal, jacht, kunst en handel in het Magdalénien). Zijn idee dat het voorkomen van exotisch materiaal, zoals zoetwaterkwartsiet afkomstig uit het Rijnbekken te Sweikhuizen, indicatief is voor 'handelscontacten' over grote afstand, behoeft nuancering. Maar misschien is het moeilijk om een concept als 'sociale netwerken' aan een groot publiek uit te leggen. Interessant zijn de korte teksten van de hand van de opgravers van de verschillende vindplaatsen. Eelco Rensink bespreekt de vindplaats bij Mesch, P.M. Vermeersch beschrijft de vindplaatsen bij Kanne en Orp, en N. Arts schrijft over Sweikhuizen. In de laatste bijdrage is een kaart opgenomen waarin de 'tentring' bestaande uit grotere stenen, waarop de reconstructie in de expositie gebaseerd is, is weergegeven. Zoals zo vaak met dergelijke hypotheses, is ook in dit geval enig inlevingsvermogen nodig om de gepostuleerde tentring te herkennen. Hij is niet erg overtuigend. De tent zou een diameter van 2 à 3 m gehad hebben. Hoewel het model van Arts, tent met haard voor de ingang, attractief is, lijkt het ons de moeite waard alternatieve modellen ook in beschouwing te nemen. Zo zou de verspreiding van steenfragmenten ook geïnterpreteerd kunnen worden als een opruimzone. Nadere analyse op basis van de verspreiding van de verschillende categorieën vuurstenen artefacten zou mogelijk opheldering kunnen verschaffen. Het hierboven gesignaleerde spanningsveld tussen de weinig spectaculaire voorwerpen uit Steentijd-opgravingen, die bovendien voor de meeste bezoekers weinig zeggingskracht bezitten, en het doel om een zo duidelijk mogelijk beeld van het verleden te schetsen, speelde niet alleen een rol in Tongeren, maar nog meer bij de tentoonstellingen over de Belvédère-groeve bij Maastricht. Hier zijn in de afgelopen twaalf jaar vele opgravingen verricht, die onze kennis van het Middenpaleolithicum aanmerkelijk hebben uitgebreid. Het Bonnefantenmuseum liet zien hoe archeologen werken. Wat voor informatie valt er allemaal te halen uit de vuurstenen artefacten, en hoe kunnen we ons een beeld vormen van het leven van de prehistorische mens. Ook hier dus vooral nadruk op de methodes van onderzoek. In het begin van de expositie wordt de bezoeker geconfronteerd met een levensgrote maquette van een opgraving in volle gang. Wanneer men vervolgens in de goede richting liep kon men een kijkje nemen in een 'opgravershutje' waar de gevonden schatten in vitrines waren uitgestald. Middels voorbeelden, teksten en foto’s werden zaken als vuursteenbewerkingstechnieken, gebruikssporen-analyse, en de resultaten van refitting uitgelegd. Deze laatste techniek werd in het geval van de Belvédère uitgebreid en met succes toegepast. Tenslotte moest men om een halfrond paneel (met schilderingen die de evolutie van de mens uitbeeldden) lopen, waarachter zich -- onverwacht -- een 'levensechte' reconstructie bevond van een kamp met een aantal Belvédère-mensen langs de oever van de Maas. Verschillende zaken die in de tentoonstelling aan de orde kwamen waren in deze opstelling verwerkt, zoals gebruik van vuur, huidbewerking, slachten van een jonge neushoom, e.d. Gekozen was voor blote figuren die tesamen een gezin vormden (inclusief een jong kind), met een bleke huidskleur. Lofwaardig was dat de samenstellers op een paneel bij de maquette aan de bezoekers verantwoording aflegden voor hun reconstructie, bijvoorbeeld over het in beeld gebrachte man/vrouw-rollenpatroon. Misschien was het beter geweest om tussen bezoekers en opstelling wat meer ruimte te creëren dan nu het geval was, of er een soort grote kijkdoos van te maken, omdat nu vanwege de geringe afstand het artificiële karakter van de voorstelling erg zichtbaar was. Ter gelegenheid van de exposities in Maastricht verscheen een helder geschreven boek voor een groot publiek, van de hand van de Belvédère-opgraver Wil Roebroeks. Het is getiteld Oermensen in Nederland; de archeologie van de Oude Steentijd, en is uitgegeven door Meulenhoff. Het boek is vooral sympathiek omdat het ook uitgebreid ingaat op allerlei problemen bij de interpretatie van archeologische vondsten. Het geeft in kort bestek een overzicht van de geschiedenis van het paleolithisch onderzoek, de evolutie van de mens, het IJstijdvak en zijn onderverdelingen, anthropologische vergelijkingsmodellen, en de stand van kennis betreffende het Nederlandse materiaal, uiteraard met nadruk op de fascinerende resultaten die in de Belvédère-groeve behaald zijn. Opmerkelijk is onder meer dat uit het boek van Roebroeks blijkt dat de auteur van mening is dat de 'vuistbijlen' van Vermaning velvalsingen zijn. Het boek zal vele jaren dienen als een betrouwbare gids voor amateurarcheologen en archeologie-studenten in Nederland; een aanrader. We kunnen concluderen dat alle vier tentoonstellingen bijzonder geslaagd waren. Vooral in de gevallen van Tongeren en Maastricht is het een prestatie geweest om aan de hand van weinig opwindend materiaal toch boeiende exposities te maken met een grote informatie-overdracht. De bezoeker werd bij de hand genomen en rondgeleid door een periode die hem of haar doorgaans tamelijk onbekend zal zijn. Men maakte kennis met allerlei geavanceerde archeologische en paleontologische onderzoekstechnieken. In Brussel lagen de zaken anders: hier moest de bezoeker zelf kijken en was de opstelling duidelijk gericht op de voorwerpen zelf, maar die waren er dan ook naar. De samenstellers van de vier tentoonstellingen en van de catalogi hebben zeker een steentje bijgedragen aan een beter begrip van het leven van de paleolithische mens. Het Paleolithicum zal voor museummedewerkers wel altijd een moeilijk onderwerp blijven om aan het grote publiek aan de man te brengen. Het vondstmateriaal spreekt meestal weinig tot de verbeelding. Het is allemaal vreselijk lang geleden en er valt vaak moeilijk een concrete voorstelling van te maken. Het is dan ook heel begrijpelijk dat zowel in het Bonnefantenmuseum als te Tongeren gebruik gemaakt werd van 'levensechte' reconstructies, schaal 1:1. Het zijn toegankelijke attracties voor het publiek, en voor veel bezoekers zelfs hetgeen ze zich het langst zullen blijven herinneren. De eerste auteur van deze bijdrage (A.C.) vindt zulke opstellingen bovendien noodzakelijk om archeologische kennis over te kunnen dragen: er zijn niet veel goede altematieven. De tweede auteur (D.S.) is minder gelukkig met deze tableaux vivants van papier-maché. Ze worden vaak gebruikt (je ziet ze ook in Londen en Parijs), en lopen daarom langzamerhand het gevaar een stereotiepe verschijning te worden op Steentijd-tentoonstellingen. Er moeten bovendien wel erg veel aannames gemaakt worden: ze suggereren dat we veel meer weten dan we in feite doen. De meestal blote poppen zien er vaak niet erg smakelijk uit; een uitzondering op deze regel is de schone slaapster te Tongeren.
|