Archeologie en Publiek

jaargang 1 nummer 1, december 1990

 

PARADISE LOST. DE OUDE STEENTIJD VORMGEGEVEN IN VIER TENTOONSTELLINGEN

Arnold Carmiggelt en Dick Stapert

Het Paleolithicum lijkt in de mode te zijn. In het najaar van 1990 vonden maar liefst vier tentoonstellingen over de oudste periode van de prehistorie tegelijkertijd plaats: één in Brussel, één in Tongeren, en twee (samenhangende) exposities in Maastricht. Ter gelegenheid van deze tentoonstellingen verschenen er catalogi en een boek, en de pers (dag- en weekbladen, radio en televisie) besteedde de nodige aandacht aan deze evenementen. Reden genoeg om deze exposities kort te bespreken en onderling te vergelijken.

De tentoonstelling 5 miljoen jaar menselijk avontuur was gelokaliseerd in het Paleis der Schone Kunsten te Brussel. In de begeleidende folder lezen we: 'Deze groots opgezette internationale tentoonstelling verzamelt een prestigieus geheel van authentieke getuigenissen in verband met de biologische en culturele evolutie van de mensheid, en dit voor de eerste maal ter wereld.' Inderdaad, samenstellers Jean-Paul Caspar en Anne Hauzier hebben een unieke collectie originele topstukken bijeengebracht. Natuurlijk gebeurde dat niet voor de eerste keer in de wereld; in het laatste decennium zijn er meerdere vergelijkbare tentoonstellingen geweest (bijvoorbeeld in Parijs en Tubingen; de catalogus van de laatste tentoonstelling, gehouden in 1987, kon je zelfs kopen in Brussel).
Talrijke fossiele menselijke skeletresten -- vooral schedels -- en enige artefacten lagen in de eerste twee zalen, terwijl de rest van de expositie voornamelijk bestond uit schitterende jongpaleolithische en mesolithische kunstvoorwerpen. Alle objecten waren van nummers voorzien die correspondeerden met de nummers in een folder die iedere bezoeker kreeg uitgereikt, en die beknopte informatie gaf over het uitgestalde. Als voorbeeld citeren we de beschrijving van object nummer 166 (het enige voorwerp uit Nederland in de tentoonstelling): 'Willemstad (Noord-Brabant, Nederland); ongeveer 6.400 jaar. Antropomorf beeldje, eikenhout, Rijksmuseum van Oudheden, Leiden'. Een beetje lastig was wel dat de nummering van de voorwerpen in de vitrines niet altijd doorlopend was, zodat je nu en dan op het verkeerde been gezet werd. De bezoeker die meer informatie wenste kon gebruik maken van een walkman, en werkelijk geïnteresseerde lieden konden een uiterst fraai uitgevoerde catalogus aanschaffen.

De tentoonstelling in Brussel was duidelijk niet opgezet om op didactisch verantwoorde wijze uit te leggen hoe de menselijke evolutie is verlopen, wat artefacten ons kunnen zeggen, of welke ideeën er bestaan over de rol van de kunst in de Oude Steentijd. De samenstellers hadden een duidelijke keuze gemaakt en die consequent doorgevoerd in de opzet van de expositie, namelijk om de voorwerpen in het middelpunt te stellen. De bezoeker werd gestimuleerd zelfstandig te kijken, te ontdekken, en te beleven. Voor degenen die meer inhoudelijke informatie over het Paleolithicum wensten, was het noodzakelijk om voorafgaand aan het museumbezoek de catalogus door te nemen.
Door de voorwerpgerichte opzet had de Brusselse expositie veel weg van een kunsttentoonstelling. In donkere zalen met zwarte wanden waren ruim opgestelde en zeer goed belichte vitrines geplaatst waar je omheen kon lopen. Er was nauwelijks tekst- of beeldinformatie op de wanden. Wel kwam men in de verschillende zalen verspreidingskaarten tegen van bijvoorbeeld het Aurignacien en het Solutréen, maar die waren feitelijk overbodig en soms zelfs misleidend. In zo'n opzet ervaar je een door middel van refitting (het aan elkaar plakken van passende artefacten) gereconstrueerde kern van Etiolles, die in een eigen vitrine ligt uitgestald, eerder als een kunstvoorwerp dan als een object dat inzicht geeft in de vuursteenbewerkingstechniek en het ruimtelijk gedrag van de prehistorische mens. (Deze vindplaats is beroemd vanwege zijn fantastische lange klingen: tot meer dan een halve meter.) Dit geldt nog meer voor de ongelooflijk dunne laurierbladen van Volgu (Solutréen). Een rare gewaarwording misschien, maar wie de keuze van de samenstellers respecteerde kon genieten van al het fraais dat er te zien was. Zoals gezegd: louter topstukken. De nieuwe ontwikkelingen betreffende de menselijke evolutie werden onder meer geïllustreerd door de schedels van Arago waaronder de goedbewaarde nr. XXI), Saint-Césaire (Neanderthaler geassocieerd met het Châtelperronien) en Qafzeh (Homo sapiens sapiens, 90 à 100.000 jaar oud). Speciale vermelding verdient het Neanderthaler-kinderschedeltje van Engis (Ardennen), opgedolven door Ph.-Ch. Schmerling in 1830.
Indrukwekkend was vooral de verzameling kunstvoorwerpen te Brussel. Enkele opvallende stukken waren het eigenaardige beeldje half menselijk, half dierlijk) van Hohlenstein-Stadel (Aurignacien), de prachtige diersculpturen van Vogelherd en Geissenklösterle (eveneens Aurignacien) en de gegraveerde rivierkeitjes van La Colombière (Magdalénien). Meer klassiek waren de reliëfblokken van Laussel, waaronder de 'Venus met de hoorn' (Solutréen of Périgordien). Goed te zien was dat deze stukken ooit beschilderd waren met rode oker. Een hele serie figurines was aanwezig, waaronder de befaamde Venussen van Sireuil en Tursac. Maar ook minder bekende stukken waren opgesteld, zoals een curieus mannenbeeldje van Brno II en een gestileerde vrouwenfiguur van Dolní Vestonice. Ook de subliem versierde speerwerpers uit het Magdalénien konden bewonderd worden. In de laatste zaal waren mesolithische kunstvoorwerpen te vinden. Een representatieve serie uit Denemarken (veel geometrisch versierde benen of gewei voorwerpen, maar ook barnsteenbeeldjes, en een versierde houten peddel) werd aangevuld met één van de graven van Bøgebakken (een mannelijk skelet rustend op twee edelhertgeweien). Tenslotte volgde een collectie zandstenen beelden van Lepenski Vir (Joegoslavië).

De catalogus verdient veel lof. Alle tentoongestelde voorwerpen zijn op prachtige kleurenfoto's afgebeeld, en over elk stuk is achterin aparte informatie opgenomen, die over het algemeen zeer adequaat is. Verder is een aantal teksten opgenomen die tesamen voor de context van het tentoongestelde moeten zorgen; alleen de beelden van Lepenski Vir moeten het zonder achtergrondinformatie stellen. Omdat in de tentoonstelling zelf weinig uitleg wordt verschaft is het boek te beschouwen als een belangrijk onderdeel van de expositie, zodat een korte bespreking van de opgenomen teksten hier niet achterwege kan blijven. Yves Coppens behandelt de evolutie van de mens aan de hand van zes 'hoofdrolspelers' (Aeyptopithecus, Proconsul, Kenyapithecus, pre-Australopithecus (= A. afarensis), Australopithecus en Homo). Het is een begrijpelijke tekst, waarin actuele problemen niet uit de weg worden gegaan. Zo vindt Coppens, in tegenstelling tot veel van zijn collega's, dat ook Australopithecus waarschijnlijk werktuigen vervaardigde. Merkwaardig is dat hij in dat verband ook verwijst naar een bekende publicatie van R.A. Dart, die meende dat de Australopithecus een ‘osteodontokeratische’ cultuur bezat, d.w.z. werktuigen maakte van gewei, hoorn, bot e.d. Recenter onderzoek, vooral door C.K. Brain, heeft echter waarschijnlijk gemaakt dat deze 'werktuigen' ontstonden door allerlei natuurlijke processen. Ook interessant is zijn mening dat Homo habilis door aaseten én door jacht aan zijn voedsel kwam; tegenwoordig zijn veel onderzoekers geneigd te denken dat het aandeel van de jacht minimaal was. Coppens benadrukt de rol van toenemende seizoensfluctuatie, vanaf ongeveer 35 miljoen jaar geleden, bij de adaptatieprocessen die tot het ontstaan van de mens leidden.
Henry en Marie-Antoinette de Lumley beschrijven de 'verovering' van de oude wereld door Homo erectus, en bespreken kort een aantal oude vindplaatsen in Europa. Daarbij komen allerlei actuele discussies betreffende de interpretatie van deze vondsten (het pseudo-artefacten probleem, dateringsproblemen enz.) niet aan de orde, waardoor de tekst aan waarde inboet. Dat het ook anders kan bewijst de genuanceerde bijdrage van B. Vandermeersch, over de Neanderthalers en het ontstaan van het huidige menstype. De Homo sapiens sapiens was, weten we nu, minstens vanaf 100.000 jaar geleden aanwezig in Afrika en Azië, maar deed pas rond 40.000 jaar geleden zijn intrede in Europa. Gedurende enkele duizenden jaren bestond hij hier tegelijk met de Neanderthalers, die tijdens die periode kennelijk vuursteentechnieken overnamen van de nieuwkomers. Zo blijkt de oudste 'jongpaleolithische' traditie in Frankrijk, het Châtelperronien, geassocieerd te zijn met de Neanderthaler, gezien de recente schedelvondst te Saint-Césaire (te zien op de expositie). In het Nabije Oosten moeten een minder 'extreme' vorm van de Neanderthaler en de moderne mens echter gedurende een veel langere periode samengeleefd hebben. De sapiens sapiens-schedel van Qafzeh wordt gedateerd rond 90 à l00.000 jaar, en het Neanderthaler-graf van Kebara, in hetzelfde gebied, op 55 à 60.000 jaar. Over de implicaties van deze gegevens, die nog nader geverifiëerd moeten worden, zijn we voorlopig nog niet uitgepraat.
Henri Delporte bespreekt de paleolithische kunst. Hij wijst er onder meer op dat veel beeldjes oorspronkelijk beschilderd waren. Welkom is de bijdrage van Jan Jelinek over de Gravettien-kunst in Moravië. Uit dat gebied stammen de eerste beeldjes van gebakken klei, goed bekend van bijvoorbeeld Dolní Vestonice. Jelinek wijst op de grote verscheidenheid en complexiteit van de paleolithische kunst. Erik Brinch Petersen leverde een helder overzicht van mesolithische kunst en begravingen in Zuid-Scandinavië. De prachtige hangers en beeldjes van barnsteen ('Baltisch goud'), hierboven reeds vermeld, vertonen vaak gegraveerde geometrische versieringen; Brinch Petersen verrneldt dat de kerven oorspronkelijk meestal waren opgevuld met zwarte hars.

Alles bij elkaar is 5 miljoen jaar menselijk avontuur een schitterende expositie. Het enige dat ons stoorde was het mystieke sfeertje ('Waar komen we vandaan en waar gaan we heen?', aldus Ludo Hellemans in De Volkskrant van 15 september 1990) dat bij de ingang aan de tentoonstelling werd meegegeven, middels citaten van onder meer Ibsen en Teilhard de Chardin. Gelukkig bleef de bezoeker in de rest van de tentoonstelling gevrijwaard van deze zweverige sfeer.

De exposities te Tongeren en Maastricht waren totaal anders van opzet. Hier werd juist geprobeerd een beeld te schetsen van het leven in de Oude Steentijd, en te laten zien hoe zo'n beeld ontworpen kan worden. Rendierjagers. Prehistorische tentenkampen nabij de Maas was de titel van de expositie in het Gallo-Romeins Museum te Tongeren. Dit is de laatste expositie in het bestaande gebouw. Hierna zal het museum enige jaren buiten bedrijf zijn terwijl een nieuw onderkomen gebouwd wordt; men wil zich daama op een veel groter publiek richten dan tot nu toe het geval was.
Rendierjagers moet als reizende tentoonstelling gaan functioneren; de bijschriften op de verplaatsbare panelen zijn dan ook in het Duits, Nederlands en Frans gesteld.
De opzet is educatief en thematisch van aard. Na een misschien in dit kader overbodige presentatie van de evolutie van de mens, aan de hand van slechte gipsafgietsels van schedels, wordt aandacht besteed aan de flora en fauna in het laatste deel van het Weichselien -- de laatste ijstijd. Vervolgens wordt ingegaan op de levenswijze van de prehistorische rendierjagers. Het gaat daarbij om een pas in de laatste tien tot vijftien jaar ontdekte groep vindplaatsen in België en Zuid-Nederland, die geplaatst kan worden in het Laat-Magdalénien (Kanne en Orp in België, Mesch, Sweikhuizen en Eyserheide in Nederland). Hoewel zijdelings verwezen wordt naar de belangrijke vindplaatsen in het Rijnbekken uit dezelfde periode (Gönnersdorf en Andemach), had iets meer aandacht daarvoor waarschijnlijk een completere context verleend aan de behandelde vindplaatsen. Het was dan ook duidelijker geworden dat er een grote verscheidenheid in nederzettingsstructuren en vondsten bestaat, en dat de behandelde vindplaatsen slechts een segment van deze variabiliteit illustreren. Niettemin waren de tentoonstellingsteksten informatief. Dat geldt ook voor de kleine maquette van Mesch (ontdekt door Kim Groenendijk), die de interpretatie van de opgraver (Eelco Rensink), namelijk dat deze plek onder meer diende als uitkijkpost voor een groepje jagers, goed in beeld brengt. Een diareeks toont de bezoeker hoe vroeger vuursteen werd bewerkt, aan de hand van opnames van Jan Janssens die de verschillende technieken demonstreerde.
Het klapstuk is voor het einde bewaard. In de laatste zaal zien we namelijk een levensgrote reconstructie van de tent van Sweikhuizen. Voor de tentopening, bij de haard, is een man bezig vuursteen te bewerken, en in de tent is een naakte, weelderig gevormde vrouw zichtbaar. Menig bezoeker zal dan ook vooral het interieur van de tent aan een nadere inspectie willen onderwerpen. Verder treffen we in deze zaal een maquette aan van een vrouw die een huid aan het schoonmaken is, en van een man die een speer gooit met behulp van een speerwerper. Voor wie niet weet hoe dit stuk gereedschap werkt, is deze opstelling uiterst instructief.

De tentoonstelling wordt begeleid door een goed verzorgde catalogus. Samensteller Guido Creemers schreef hierin enkele algemene teksten (evolutie van de mens, de ijstijden, flora en fauna van het Laatglaciaal, jacht, kunst en handel in het Magdalénien). Zijn idee dat het voorkomen van exotisch materiaal, zoals zoetwaterkwartsiet afkomstig uit het Rijnbekken te Sweikhuizen, indicatief is voor 'handelscontacten' over grote afstand, behoeft nuancering. Maar misschien is het moeilijk om een concept als 'sociale netwerken' aan een groot publiek uit te leggen. Interessant zijn de korte teksten van de hand van de opgravers van de verschillende vindplaatsen. Eelco Rensink bespreekt de vindplaats bij Mesch, P.M. Vermeersch beschrijft de vindplaatsen bij Kanne en Orp, en N. Arts schrijft over Sweikhuizen. In de laatste bijdrage is een kaart opgenomen waarin de 'tentring' bestaande uit grotere stenen, waarop de reconstructie in de expositie gebaseerd is, is weergegeven. Zoals zo vaak met dergelijke hypotheses, is ook in dit geval enig inlevingsvermogen nodig om de gepostuleerde tentring te herkennen. Hij is niet erg overtuigend. De tent zou een diameter van 2 à 3 m gehad hebben. Hoewel het model van Arts, tent met haard voor de ingang, attractief is, lijkt het ons de moeite waard alternatieve modellen ook in beschouwing te nemen. Zo zou de verspreiding van steenfragmenten ook geïnterpreteerd kunnen worden als een opruimzone. Nadere analyse op basis van de verspreiding van de verschillende categorieën vuurstenen artefacten zou mogelijk opheldering kunnen verschaffen.
Een tweede tekst van Arts bespreekt genuanceerd het gebruik van anthropologische vergelijkingen bij de interpretatie van archeologische gegevens, en er wordt gewaarschuwd tegen al te simplistische toepassingen van deze methode.
De tentoonstelling is niet erg groot, maar geeft een degelijk en afgerond beeld van het leven van de Magdalénien-mensen langs de Maas. Hoewel de reconstructie van Sweikhuizen speculatief is, lijken er niet veel altematieven te zijn om aan een groot publiek archeologische resultaten voor te stellen. Een opgravingsplattegrond, wat vuursteentjes en een stukje oker blijven natuurlijk uiterst vaag. Tijdens de expositie in Tongeren zijn onderwijswerkbladen verkrijgbaar, en verder zullen er rondleidingen, een dag voor leerkrachten en lezingen georganiseerd worden.

Het hierboven gesignaleerde spanningsveld tussen de weinig spectaculaire voorwerpen uit Steentijd-opgravingen, die bovendien voor de meeste bezoekers weinig zeggingskracht bezitten, en het doel om een zo duidelijk mogelijk beeld van het verleden te schetsen, speelde niet alleen een rol in Tongeren, maar nog meer bij de tentoonstellingen over de Belvédère-groeve bij Maastricht. Hier zijn in de afgelopen twaalf jaar vele opgravingen verricht, die onze kennis van het Middenpaleolithicum aanmerkelijk hebben uitgebreid.
De tentoonstelling Oermensen in Nederland; Belvédère was gecentreerd rond twee thema's, namelijk 'klimaat en landschap in de Oude Steentijd', en 'leven in de Oude Steentijd'. Helaas werden deze twee componenten in twee verschillende musea aan de orde gesteld, respectievelijk in het Natuurhistorisch Museum en in het Bonnefantenmuseum te Maastricht. Aangezien er op zich weinig opwindende zaken te exposeren zijn (stukken vuursteen, een korreltje oker, botfragmenten, muizekiesjes) werd in beide tentoonstellingen vooral de onderzoeksmethodologie uitgelegd. Wat kunnen we door een muizekies allemaal aan de weet komen? Hoe ontlenen archeologen interessante kennis aan de duizenden scherven vuursteen? De bezoeker werd gedwongen met de onderzoeker mee te denken. In het Natuurhistorisch Museum werd aandacht besteed aan klimaatsreconstructie, terrasvorming, de stratigrafie van de Belvédère-groeve, en de verschillende fauna-gezelschappen -- zowel uit warme tijden als uit ijstijden. Vitrines en panelen werden afgewisseld door fraaie schilderijen/diorama's van Hans Brinkerink. Ook was er een videoband te zien over de berging van een stoottand van een mammoet in de Belvédère-groeve. Twee microscopen stelden de bezoekers in staat om de kiesjes van een fluithaas en een nieuw ontdekte muizensoort (Apodemus maastrichtiensis) aan een nader onderzoek te onderwerpen. Er werd uitgelegd hoe we eigenlijk aan die muizekiesjes komen: ze zijn afkomstig uit braakballen van uilen die in het water terechtkwamen. Bij de tentoonstelling was een informatieblad in verschillende talen beschikbaar. Bovendien heeft het Natuurhistorisch Museum een in begrijpelijke taal geschreven boekje van samensteller Thijs van Kolfschoten gepubliceerd, waarin men het allemaal nog eens kan nalezen.

Het Bonnefantenmuseum liet zien hoe archeologen werken. Wat voor informatie valt er allemaal te halen uit de vuurstenen artefacten, en hoe kunnen we ons een beeld vormen van het leven van de prehistorische mens. Ook hier dus vooral nadruk op de methodes van onderzoek. In het begin van de expositie wordt de bezoeker geconfronteerd met een levensgrote maquette van een opgraving in volle gang. Wanneer men vervolgens in de goede richting liep kon men een kijkje nemen in een 'opgravershutje' waar de gevonden schatten in vitrines waren uitgestald. Middels voorbeelden, teksten en foto’s werden zaken als vuursteenbewerkingstechnieken, gebruikssporen-analyse, en de resultaten van refitting uitgelegd. Deze laatste techniek werd in het geval van de Belvédère uitgebreid en met succes toegepast. Tenslotte moest men om een halfrond paneel (met schilderingen die de evolutie van de mens uitbeeldden) lopen, waarachter zich -- onverwacht -- een 'levensechte' reconstructie bevond van een kamp met een aantal Belvédère-mensen langs de oever van de Maas. Verschillende zaken die in de tentoonstelling aan de orde kwamen waren in deze opstelling verwerkt, zoals gebruik van vuur, huidbewerking, slachten van een jonge neushoom, e.d. Gekozen was voor blote figuren die tesamen een gezin vormden (inclusief een jong kind), met een bleke huidskleur. Lofwaardig was dat de samenstellers op een paneel bij de maquette aan de bezoekers verantwoording aflegden voor hun reconstructie, bijvoorbeeld over het in beeld gebrachte man/vrouw-rollenpatroon. Misschien was het beter geweest om tussen bezoekers en opstelling wat meer ruimte te creëren dan nu het geval was, of er een soort grote kijkdoos van te maken, omdat nu vanwege de geringe afstand het artificiële karakter van de voorstelling erg zichtbaar was.

Ter gelegenheid van de exposities in Maastricht verscheen een helder geschreven boek voor een groot publiek, van de hand van de Belvédère-opgraver Wil Roebroeks. Het is getiteld Oermensen in Nederland; de archeologie van de Oude Steentijd, en is uitgegeven door Meulenhoff. Het boek is vooral sympathiek omdat het ook uitgebreid ingaat op allerlei problemen bij de interpretatie van archeologische vondsten. Het geeft in kort bestek een overzicht van de geschiedenis van het paleolithisch onderzoek, de evolutie van de mens, het IJstijdvak en zijn onderverdelingen, anthropologische vergelijkingsmodellen, en de stand van kennis betreffende het Nederlandse materiaal, uiteraard met nadruk op de fascinerende resultaten die in de Belvédère-groeve behaald zijn. Opmerkelijk is onder meer dat uit het boek van Roebroeks blijkt dat de auteur van mening is dat de 'vuistbijlen' van Vermaning velvalsingen zijn. Het boek zal vele jaren dienen als een betrouwbare gids voor amateurarcheologen en archeologie-studenten in Nederland; een aanrader.

We kunnen concluderen dat alle vier tentoonstellingen bijzonder geslaagd waren. Vooral in de gevallen van Tongeren en Maastricht is het een prestatie geweest om aan de hand van weinig opwindend materiaal toch boeiende exposities te maken met een grote informatie-overdracht. De bezoeker werd bij de hand genomen en rondgeleid door een periode die hem of haar doorgaans tamelijk onbekend zal zijn. Men maakte kennis met allerlei geavanceerde archeologische en paleontologische onderzoekstechnieken. In Brussel lagen de zaken anders: hier moest de bezoeker zelf kijken en was de opstelling duidelijk gericht op de voorwerpen zelf, maar die waren er dan ook naar. De samenstellers van de vier tentoonstellingen en van de catalogi hebben zeker een steentje bijgedragen aan een beter begrip van het leven van de paleolithische mens.

Het Paleolithicum zal voor museummedewerkers wel altijd een moeilijk onderwerp blijven om aan het grote publiek aan de man te brengen. Het vondstmateriaal spreekt meestal weinig tot de verbeelding. Het is allemaal vreselijk lang geleden en er valt vaak moeilijk een concrete voorstelling van te maken. Het is dan ook heel begrijpelijk dat zowel in het Bonnefantenmuseum als te Tongeren gebruik gemaakt werd van 'levensechte' reconstructies, schaal 1:1. Het zijn toegankelijke attracties voor het publiek, en voor veel bezoekers zelfs hetgeen ze zich het langst zullen blijven herinneren. De eerste auteur van deze bijdrage (A.C.) vindt zulke opstellingen bovendien noodzakelijk om archeologische kennis over te kunnen dragen: er zijn niet veel goede altematieven. De tweede auteur (D.S.) is minder gelukkig met deze tableaux vivants van papier-maché. Ze worden vaak gebruikt (je ziet ze ook in Londen en Parijs), en lopen daarom langzamerhand het gevaar een stereotiepe verschijning te worden op Steentijd-tentoonstellingen. Er moeten bovendien wel erg veel aannames gemaakt worden: ze suggereren dat we veel meer weten dan we in feite doen. De meestal blote poppen zien er vaak niet erg smakelijk uit; een uitzondering op deze regel is de schone slaapster te Tongeren.
Dergelijke reconstructies lijken ons een blik te gunnen in een 'paleolithisch paradijs'. Schijnbaar tevreden, en nog niet geplaagd door brandende kwesties betreffende de rechtvaardigheid van traditionele man/vrouw-rolpatronen, betimmeren de mannen hun vuursteen en krabben de vrouwen dierenhuiden schoon. Vrolijk brandt het kampvuurtje, en in de tent is het ook beregezellig. Je zou bijna wensen dat de volgende ijstijd niet te lang meer op zich laat wachten...

 

inhoudsopgave | vorig artikel | alle artikelen