|
Archeologie en Publiek jaargang 2 nummer 1, augustus 1991
PARADISE REGAINED. EEN BESPREKING VAN JEAN AUELS IJSTIJD-BESTSELLERS Marjorie de Grooth Het Paleolithicum is niet alleen bij archeologen in de mode, maar zeker ook bij het grote publiek. Dat bevredigt zijn belangstelling echter in eerste instantie niet door het bezoeken van tentoonstellingen of het lezen van populair-wetenschappelijke publicaties, maar stort zich met enthousiasme op een serie historische romans, de cyclus 'Aardkinderen' van Jean Auel. Alleen al in Nederland werden van elk van de vier tot nu toe verschenen delen zo'n 150.000 exemplaren verkocht en in de herfst van 1990 werd Auel met de 'Publieksprijs voor het Nederlandse boek' (sector vertaalde romans) onderscheiden. De cyclus speelt in de korte tijd (ca. 35.000-30.000 v. Chr.) waarin Neandertalers (homo sapiens neanderthalensis, verder gemakshalve afgekort tot hsn) en echte moderne mensen (homo sapiens sapiens, of hss) samen in Europa leefden. Hij onderscheidt zich van de normale 'dertien in het dozijn' bestsellers in de genres fantasy en romance niet door zijn literaire kwaliteiten, maar door het zeer gedetailleerde en ogenschijnlijk betrouwbare beeld van het leven in de oertijd. Het verhaal vertoont de trekken van een typische Bildungsroman, met een forse portie reisromantiek: Ayla, een klein hss-meisje, verliest ergens op de Krim haar ouders (die alleen met hun kern-gezinnetje op stap zijn) tijdens een aardbeving; ze zwerft een paar dagen hulpeloos rond, wordt gewond door een holenleeuw en op sterven na dood gevonden door de medicijnvrouw van een groepje hsn ('de clan'). Deze weet, samen met haar broer, de kreupele 'sjamaan' van de stam, het kind te genezen en zorgt ervoor dat het in de groep opgenomen wordt. In het begin is de opvoeding problematisch: Ayla mist het collectieve geheugen (zeg maar: het instinct), dat de grondslag vormt voor hsn leerprocessen. Dankzij haar 'moderne' intelligentie weet zij zich toch heel aardig te redden, maar ze blijft, als een van 'de Anderen' een vreemde eend in de bijt. Pleegmoeder geeft Ayla al haar kennis van geneeskrachtige planten door, zodat ze haar als medicijnvrouw kan opvolgen. De meeste leden van de clan zijn haar en haar gaven geleidelijk gaan waarderen, ook al houdt ze zich niet aan de geldende normen en regels. Alleen de beoogde nieuwe leider van de stam blijft een hekel aan haar houden. Zodra hij het voor het zeggen heeft wordt Ayla dan ook verstoten, waarbij ze haar zoontje moet achterlaten. Ayla besluit de goede raad van haar pleegmoeder te volgen en haar eigen soort te gaan zoeken (deel 1: The Clan of the Cave Bear -- De Stam van de Holenbeer). In deel 2 (The Valley of Horses -- de Vallei van de Paarden) leert zij als een Robinson Crusoë avant la lettre in haar eentje te overleven. Min of meer vanzelfsprekend temt ze daarbij een veulen. Een door haar grootgebrachte holenleeuw-baby gaat na verloop van tijd terug naar de vrije natuur. Intussen is een uitverkoren soortgenoot, Jondalar, samen met zijn broer uit Les Eyzies in de Dordogne vertrokken voor een soort Grand Tour die hen in eerste instantie naar de monding van de Donau moet brengen. Van daaruit trekken ze vrij doelloos naar het noorden, waar ze in conflict komen met Ayla's leeuw en zijn partner. Ayla kan alleen Jondalar redden. Na de nodige communicatiestoornissen bloeit er uiteraard iets moois op, hoewel de onthulling van Ayla's opvoeding en het bestaan van haar 'halfbloed-baby' even danig roet in het eten dreigt te gooien: 'Ons soort mensen' blijkt de Neandertalers ('de platkoppen') als gehate en verachtelijke beesten te beschouwen. In deel 3 (The Mammoth Hunters -- De Mammoetjagers) begint het paar aan de terugreis naar de Dordogne. Met hun menagerie (twee paarden en een wolvejong) overwinteren ze bij de Mamutiërs, die Ayla zelfs officieel in de stam opnemen. Dankzij haar geneeskrachtige en helderziende gaven verwerft ze zich al snel een sterke positie. In de relatie met Jondalar doen zich echter grote problemen voor (hoewel bij de Mamutiërs net als bij Jondalars eigen stam de sexuele revolutie al lang achter de rug is, kan hij er niet tegen wanneer Ayla zich volgens de heersende normen gedraagt en een 'open relatie' wil hebben, terwijl Ayla nooit heeft geleerd dat je ook nee kunt zeggen als een kerel je wil versieren en dat er verschil is tussen sexuele aantrekkingskracht en ware liefde). Ayla blijft bijna hangen aan de artistieke zoon van de plaatselijke vuursteenbewerker, maar uiteindelijk trekt ze toch samen met Jondalar verder. Deel 4 (The Plains of Passage -- Het Dal der Beloften) beschrijft uitputtend rest van de avontuurlijke, maar vooral lange reis (waarop ze o.m. verzeild raken bij een groep waar de macht is overgenomen door radicale vertegenwoordigsters van de nulde feministische golf). Als ze tenslotte Jondalars woongrot in Les Eyzies bereiken, ontdekt Ayla dat deze plek identiek is aan het 'thuis' uit haar dromen. Er moeten nog twee delen volgen. Volgens de schrijfster is het waarheidsgehalte van de boeken hoog, ze benadrukt in interviews dat alles wat ze over de prehistorie schrijft geen fantasie is, maar op onderzoek berust. Ook constateert ze tevreden dat ze haar huiswerk kennelijk goed heeft gedaan, omdat wetenschappelijke kritiek haar tot dusverre bespaard is gebleven (2). Alle aanleiding dus om de archeologische aspecten van de cyclus kritischer te bekijken dan je normaal zou doen bij een historische roman. De materiële cultuur van hsn wordt (voor zover ik dat kan overzien) heel compleet en adequaat beschreven, de toegevoegde voorwerpen van organisch materiaal komen ook overtuigend over, evenals de (relatief weinig mobiele) leefwijze. Bij de hss smokkelt Auel echter een beetje, door ze niet alleen van de correcte Aurignacien-toolkit te voorzien, maar ze met allerlei fraaie en interessante verworvenheden van het zo'n 10.000 jaar jongere (dat is tenminste 300 generaties!) Gravettien en Solutréen gelukkig te maken (van 'Venusbeeldjes' en meergezinshuizen van mammoetbotten tot uit voor-verhitte vuursteen vervaardigde bladspitsen toe). Voor de ontwikkeling van de intrige was het nodig de verschillen tussen hsn en hss zo zwaar mogelijk aan te zetten, zonder daarbij te vergeten dat hsn wel degelijk a Man and a Brother (of in elk geval een neefje) was. In een boeiende mengeling van (subrecente) archeologische theorieën en vrije fantasie krijgen we zwaar behaarde, kleine (tot 1,50 m) lieden met O-benen, die niet abstract kunnen denken en een gebrekkig spraakvermogen hebben, maar wel een gecompliceerde gebarentaal. Naar mijn smaak het boeiendst is de manier waarop hun grote schedelinhoud wordt verklaard: Alles wat de hsn tijdens het bestaan van hun soort hebben geleerd, wordt als een collectieve herinnering overgeërfd. Met andere woorden: ze vertonen naast 'aangeleerd' sociaal gedrag in veel sterkere mate dan hss ook genetisch bepaald instinctief gedrag. Inmiddels zijn hun hersens met die erfenis uit hun collectieve verleden zo zwaar belast, dat ze slechts met de grootste moeite nog iets nieuws kunnen leren en dus steeds meer moeite hebben om zich aan veranderingen aan te passen. De baby's krijgen bovendien steeds grotere koppetjes, waardoor moeder en kind vaker in het kraambed sterven. Geen wonder dus, dat ze het niet kunnen bolwerken. Echter: deze bezwaren vallen grotendeels weg tegenover de positieve punten van de serie. Het is Auel op bewonderenswaardige wijze gelukt om saaie en droge archeologische feiten te vertalen in een boeiend verhaal over onze vroege voorouders. Ze besteedt minitueuze aandacht aan het ijstijd-milieu en maakt duidelijk hoe mensen zich in die wereld kunnen handhaven dankzij een geweldige kennis van de dieren- en plantenwereld. Waar concrete archeologische gegevens ontbreken, maakt ze op creatieve wijze gebruik van ook bij prehistorici geliefde aanvullende bronnen als ethnografie of experimentele archeologie. Mijn kritiek op deze kant van het verhaal is marginaal: Zowel hss als hsn eten vrijwel perfect volgens de normen van de schijf van vijf en kennen zoveel succesvolle geneeskrachtige planten, dat ik me soms afvroeg waarom ze toch gemiddeld niet ouder dan dertig werden. Ik vind het bovendien jammer dat Auel Ayla en Jondalar verantwoordelijk maakt voor bijna alle technologische vernieuwingen van het Jong-Paleolithicum (zoals daar zijn: de travois, de speerwerper, de benen naald en het maken van vuur met een vuurslag) en bovendien een kennelijk als 'typisch modern' opgevatte hsn gewoonte als het meegeven van bloemen aan de doden ook op het conto van Ayla schrijft. Verfrissend is dat Woman the Gatherer (4) een op zijn minst gelijkwaardige plaats heeft gekregen naast Man the Hunter (5). Alle mogelijke aspecten van het dagelijks leven worden op zeer gedetailleerde wijze beschreven (Auel houdt zich zelfs bezig met de manier waarop vrouwen die een lange broek dragen het beste kunnen plassen). De lezer ervaart van minuut tot minuut met welke activiteiten de dagen en nachten gevuld waren, waarbij gelukkig duidelijk wordt dat het leven van jagers/verzamelaarsters niet uitsluitend bestond uit met de pure strijd om het bestaan, maar aanzienlijke ruimte bood voor sport, spel en andere recreatie. Navraag bij enkele trouwe fans leerde dat ook zij deze grote aandacht voor het detail en het gewone bijzonder waardeerden. Noten
|