Archeologie en Publiek

jaargang 2 nummer 1, augustus 1991

 

OUDHEIDKUNDIG BODEMONDERZOEK EN PUBLIEK. VOORLICHTING EN PR VANUIT DE ROB

Evert van Ginkel

Lang verwacht, stil gezwegen, nooit gedacht, toch gekregen: sinds 1 september 1990 beschikt de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek over een eigen voorlichter in de persoon van Frank Strolenberg. In beginsel is zijn functie die van Hoofd Bedrijfsvoering, met daarbinnen een taak als PR/voorlichtingscoördinator. Deze taak gaat op termijn zo'n 30% van zijn werk in beslag nemen. Strolenberg (34) studeerde communicatiewetenschappen in Nijmegen, werkte als voorlichter en docent massacommunicatie aan een HEAO en tenslotte, voor hij bij de ROB kwam, als directiesecretaris bij de Centrale Directie Financieel-economische zaken van het ministerie van WVC. De baan bij onze nationale archeologische dienst gaf hem een gelegenheid terug te keren naar het PR- en voorlichtingswerk, terwijl ook een belangstelling voor archeologische zaken hem niet vreemd was -- hij volgde in Nijmegen 'neolithische revolutie' als facultatief bijvak bij Ton Lemaire.
Bij het uitdragen van informatie over de eigen werkzaamheden heeft de ROB zich lange tijd erg bescheiden opgesteld. Voor zover er sprake was van actieve publieksvoorlichting, zoals de ROB-kalenders, informatiefolders, lesbrieven, de Kleine Monumentenreeks en de jubileumagenda, ging het om weinig gecoordineerde projecten, waarvan het effect vaag bleef. Projectvoorlichting, zoals die in 1985 op de opgraving bij Valkenburg werd uitgevoerd, is een incidentele zaak gebleven. Centraal geregeld en begeleid werden deze activiteiten ook niet; het is altijd een kwestie geweest van min of meer persoonlijk initiatief binnen de dienst. De ROB beschouwde voorlichting over archeologie dan ook uitdrukkelijk niet tot haar taak. Voor vondsten werd men doorverwezen naar het Rijksmuseum van Oudheden, voor archeologie in algemene zin naar de Stichting voor de Nederlandse Archeologie (SNA) en voor zaken die de Rijksdienst zelf betroffen naar de voorlichters van het ministerie van WVC. Dat het reilen en zeilen van een grote archeologische dienst die tientallen opgravingen per jaar uitvoert, op zichzelf ruimschoots in aanmerking komt voor actieve voorlichting, leek niet ten volle te worden beseft. Daar is nu verandering in gekomen. Strolenberg zelf over de aanleiding tot zijn aanstelling: "In feite is het een kwestie geweest van maatschappelijke druk. De ROB is zich gaandeweg bewust geworden van het feit dat ze een positie in de maatschappij bekleedt, en dat die maatschappij iets terug wil zien voor het geld dat ze aan archeologisch onderzoek besteedt. Het ministerie van WVC is ook van mening dat cultuur moet worden uitgedragen. Informatie over archeologie in het algemeen beschouwen wij als een taak voor het AIC (Archeologisch Informatie Centrum, waarover meer in dit nummer, red.) maar daarnaast moet de ROB het publiek voorlichten over haar eigen werkzaamheden; institutionele voorlichting dus."
Inderdaad ontplooit de ROB genoeg activiteiten waar het publiek ongetwijfeld interesse voor kan opbrengen. Om op het voor archeologen meest platvloerse niveau te blijven: overal in het land wordt dagelijks door de ROB gegraven en niet zelden betreft het aansprekende zaken als grafvelden, kloosters of Romeinse forten. Betrekkelijk zelden haalt een ROB-onderzoek evenwel de landelijke pers. Schrijver dezes is in zijn zesjarige ervaring als archeologisch verslaggever voor een landelijk dagblad slechts eenmaal door de Rijksdienst benaderd om een artikel te schrijven. Dat was eind 1990 en degene die het contact legde was Frank Strolenberg.
Niets lijkt gemakkelijker te verkopen dan ROB-werk. Voor actieve voorlichting bij opgravingen en restauratieprojecten -- de plaatsen waar het publiek het dichtst in aanraking komt met de Amersfoortse archeologen -- zal nog dit jaar een aparte projectvoorlichter worden aangesteld. Deze zal voorzien in de vaak grote behoefte aan informatie, waar de overbezette provinciaal-archeologen niet aan kunnen voldoen. In de praktijk zal de voorlichter zorg dragen voor zaken als bulletins voor de omwonenden (wat doet de ROB hier?), informatiepanelen en rondleidingen. Daarnaast zal de projectvoorlichter zich bezig houden met algemene informatie op het gebied van de monumentenzorg.
Strolenbergs zorg is voorlopig het organiseren van informatiestromen binnen de ROB zelf. "Interne voorlichting en communicatie is van essentieel belang. Eigenlijk weten op dit moment de archeologen hier van elkaar niet wat ze doen. Dat is voor je gezicht naar buiten toe niet goed; in grote lijnen moet iedereen hetzelfde verhaal kunnen vertellen over wat er binnen de dienst gaande is." Door zijn functie als Hoofd Bedrijfsvoering neemt Strolenberg een centrale positie in binnen de ROB, wat hem in staat stelt om informatie van alle kanten te ontvangen, te bundelen en te verspreiden. Een voorlichtingscommissie waarin vertegenwoordigers zitten van verschillende disciplines binnen de ROB wetenschappelijke staf, veldtechnici, administratie -- is in het leven geroepen om die informatie uit te kunnen wisselen. Strolenberg: "Voorlichting kun je niet eenvoudigweg parachuteren van bovenaf; die moet gedragen worden door de hele organisatie. De voorlichtingscommissie hoeft niet zozeer deskundigen op communicatiegebied te bevatten als wel mensen die vragen stellen en zelf gegevens aandragen over hun aandeel in die organisatie." In de Kerkstraat behandelt Irma Wiener de praktische kant van de inteme voorlichting in de vorm van publicatieborden en korte berichten.
Voor het uitvoeren van de andere mogelijke voorlichtingstaken zoekt Strolenberg samenwerking met andere instellingen. "Voorlichting heeft natuurlijk ook een educatief aspect: als we willen dat archeologie beter wordt gewaardeerd zal je de mensen daarmee op jonge leeftijd in aanraking moeten brengen. Er is in het recent verleden binnen de archeologische vakwereld al veel gedacht en gepraat over educatieve pakketten en de rol van archeologie in het onderwijs. Ik weet niet zo zeker of educatieve voorlichting nu een ROB-taak zou moeten worden, of dat zoiets meer bij het RMO of AIC thuishoort. We willen er zeker over meedenken en expertise leveren."

 

inhoudsopgave | vorig artikel | volgend artikel | alle artikelen