|
Archeologie en Publiek
jaargang 2 nummer 1, augustus 1991
SNA ONDERWIJSCOMMISSIE JAARVERSLAG 1990
Bert Huiskes
In dit tweede jaarverslag van de onderwijscommissie uit de Stichting voor de Nederlandse Archeologie zal worden teruggekeken naar het derde jaar van haar bestaan: 1990.
De commissie bestond uit:
dra. A. van Duijn, docente Klassieke Talen VO, Nijmegen; drs. J.P.C.A. Hendriks, docent NLO, Tilburg; drs. B. Huiskes, zelfstandig archeoloog, Groningen (secretaris); dra. H. Land, zelfstandig historica, Amersfoort; drs. A. Peddemors, conservator RMO, Leiden (voorzitter); dr. J.H. van der Werff, docent Geschiedenis VO, Amersfoort.
In de loop van het verslagjaar trok A. Peddemors zich terug wegens drukke werkzaamheden. Hij werd per 1 december 1990 vervangen door mevrouw M. de Grooth, conservatrice aan het Bonnefantenmuseum te Maastricht. Mevrouw H. Land verliet de commissie vanwege het aanvaarden van een betrekking in Utrecht. Mevrouw van Duijn was meerdere maanden niet beschikbaar om gezondheidsredenen. De dames E. van der Velde en G. van Tuijl meldden zich als kandidaat-lid van de onderwijscommissie. Mevrouw J.B. Geerlink (bureau SNA) vergadert regelmatig mee.
In overleg met het bestuur van de SNA stelde de commissie zich tot taak het beoordelen van de omvang en kwaliteit van de huidige onderwijs in de archeologie, het zonodig (laten) verbeteren daarvan en het onderzoeken van de mogelijkheid ook archeologie te verheffen tot zelfstandig schoolvak. Dit laatste met het oog op de werkgelegenheid voor archeologen.
De commissie vergaderde in de verslagperiode drie keer te Amersfoort. Reiskosten werden gedekt door de SNA, secretariaatskosten door het BAI. De agendapunten bleven grotendeels dezelfde als die van het vorige verslagjaar, te weten: evaluatie van methodes, inventarisatie van lesbrieven en -pakketten, een publikatie voor (aspirant)-onderwijsgevenden en de ontwikkeling van een programma voor de Nederlandse Onderwijstelevisie.
Evaluatie van methodes
De evaluatie richt zich op de inhoud (juistheid, actualiteit van de informatie) en op de onderwijskundige kwaliteit van een aantal geschiedenismethodes. Een hoofdvraag die gesteld wordt, luidt of de historische archeologie evenzeer vertegenwoordigd is als de prehistorische en zo ja of ze als nevenwetenschap met de geschiedschrijving-middels-schriftelijke-bronnen is geïntegreerd, praktisch en theoretisch.
De evaluatie moet vaststellen in welke mate de stofkeuze in de methodes veelzijdig en logisch geordend is.
Uitgangspunt is dat via archeologie maatschappijen uit het verleden gereconstrueerd kunnen worden. Om de mate te kunnen toetsen waarin een onderwijsmethode een dergelijke poging onderneemt, kijkt de commissie naar enerzijds de maatschappelijke aspecten economie, sociale organisatie, politiek, individualiteit en cultuur en anderzijds dimensies van ruimte en tijd. Het is duidelijk dat de archeologie niet alle vragen op deze gebieden beantwoord. Wel wordt gekeken of de methode heeft geprobeerd met behulp van recente ontwikkelingen in de archeologie meer over het verleden te vertellen dan uitsluitend op grond van materiële resten en grondsporen mogelijk is. Dit wordt getoetst voor de perioden Paleolithicum, Mesolithicum, Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd (Noord- en Zuid-Nederland) en Volksverhuizing, Merovingische tijd, Karolingische tijd, 10de tot 12de eeuw en de ‘stedelijke’ Middeleeuwen. De evaluatie moet ook vaststellen waar de (onvermijdelijke) simplificaties hebben geleid tot onjuistheden.
Aan de Handleiding beoordeling methodes en het rapport van Kalkwiek (e.a.), Verleden Tijd? (Meulenhoff Educatief: Amsterdam 1985) werd in de loop van het verslagjaar het rapport van Smulders (red.), Kwartet (NIB: Zeist 1984) toegevoegd.
Rapportage van Sprekend Verleden (Gottmer), Vragen aan de geschiedenis (Wolters-Noordhoff) en Tijdspoor (Educaboek) heeft een aanvang genomen.
Rapportage van Kijk op de tijd en Andere tijden (Malmberg), Merlijn (Spruyt, Van Mantgem & De Does), Op zoek naar het verleden (Wolters-Noordhoff) wordt voorgenomen.
Door stagnatie in dit deel van het takenpakket kon een samenvattend artikel aan Kleio nog niet worden aangeboden.
Inventarisatie lesbrieven en -pakketten
Door het vertrek van H. Land uit de commissie, zonder dat in haar opvolging snel kon worden voorzien, werd op dit terrein gedurende het verslagjaar geen vooruitgang geboekt.
Publikatie voor onderwijsgevenden
Enkele uitgevers van schoolboeken werden benaderd met de synopsis van een boekwerkje dat bestemd zal zijn voor leerkrachten geschiedenis in het voortgezet onderwijs, leerkrachten in het basisonderwijs en zij die een van beide willen worden. Afwijzende reacties hielden in dat a.) de doelgroep te breed zou zijn en dat b.) bij een versmalling van de doelgroep de oplage te klein zou zijn. Het lijkt erop dat onze ideeën over dit onderwerp in een serie onderling samenhangende artikelen en lessuggesties via een vaktijdschrift meer kans op publicatie zullen maken.
Archeologie en Onderwijstelevisie
De in de loop van het vorige en het onderhavige verslagjaar opgestelde concepten werden aangeboden aan de redacteur geschiedenis van de NOT, drs. W. van der Spek. Deze meldt zijn programmering reeds tot 1994 gepland te hebben. Daama is er tijd voor een serie Archeologie beschikbaar. Van der Spek zal met de commissie ‘ter gelegener tijd in contact treden’.
Overige activiteiten
B. Huiskes publiceerde zijn hiervoor aangepaste lezing ‘Prehistorie in Perspectieven’ in Kleio 7 (1990) 18-23. B. Huiskes recenseerde Reisboek Archeologie (E. Gorys bij Bosch & Keuning, Baam), Archeologie onder water (Maarleveld en Van Ginkel bij Meulenhoff, Arnsterdam) en Verborgen Steden (Sarfatij [red.] bij Meulenhoff, Amsterdam) in Kleio 10 (1990) 29-31. Hierbij werd bijzondere aandacht geschonken aan belang en bruikbaarheid van genoemde publicaties in het voortgezet geschiedenisonderwijs. B. Huiskes gaf tijdens de Reuvensdagen te Maastricht een toelichting op doelstellingen en daaruit voortvloeiende aktiviteiten van de commissie teneinde een ruimere bekendheid van bestaan en werkzaamheden van de cornmissie onder archeologen te geven. In deze opzet lijkt geslaagd te zijn.
Contacten
De commissie legde contacten met dr. R.R. Knoop, hoofd van het bureau van de SNA. Een kennismakingsgesprek mondde uit in een notitie van Knoop omtrent heroverweging van doelstellingen en taken van de commissie. Een en ander zal in 1991 besproken worden.
Plannen 1991
- Publikatie van een samenvattend artikel inzake de evaluatierapporten in Kleio.
- Evaluatie van lesbrieven en -pakketten.
- Publikatie voor onderwijsgevenden in de vorm van een serie artikelen en lessuggesties.
- Nadere uitwerking van ideeën en voorbereidingen voor een serie voor de NOT.
- Evaluatie van de werkzaamheden tot nu toe en bezinning op nieuwe mogelijkheden.
Complicaties
Benoemingen van Hendriks in de Bondsrepubliek Duitsland en Huiskes op Vlieland maken het beiden moeilijk evenveel tijd te besteden aan de werkzaamheden van onderwijscommissie als voorheen en deel te nemen aan haar vergaderingen.
inhoudsopgave | vorig artikel | alle artikelen
|