Archeologie en Publiek

jaargang 3 nummer 1, juni 1992

 

HET ARCHEOLOGISCH MUSEUM ALS TOERISTISCHE TREKPLEISTER

Marjorie de Grooth

Inleiding
Onder 'archeologisch museum' versta ik in deze bijdrage het 'klassieke' museum, geen zaken als Archeon, Jorvik, of archeo-educatieve centra in nagebouwde prehistorische boerderijen. Bij de eerste VAP-themadag, Archeon en de verbeelding van het verleden, is duidelijk geworden dat die instellingen een ander produkt leveren, bestemd voor een andere markt.
Het wordt vooral een verhaal over musea die met mijn eigen instelling, het Bonnefantenmuseum in Maastricht, te vergelijken zijn, dus met een collectie die bestaat uit archeologische vondsten uit de omgeving (en die omgeving kan dan naar believen gemeentelijk, regionaal of provinciaal worden ingevuld). Over het algemeen zijn dit musea die niet uitsluitend een archeologische verzameling hebben, maar waar de archeologie met geschiedenis, volkskunde of beeldende kunst een 'cultuurhistorische mix' vormt.
Ik wil hun potentieel als toeristische trekpleisters onderzoeken aan de hand van de vier volgende vragen.

  1. Wat heeft 'de archeologie' in het algemeen voor belang bij het stimuleren van publieke belangstelling voor ons archeologische verleden?
  2. Wat heeft het archeologische museum aan toeristen te bieden?
  3. Wat zouden toeristen op hun beurt van een archeologische presentatie verwachten?
  4. Hoe kunnen de musea proberen meer toeristen binnen te krijgen (want dát ze dat willen is inmiddels een vanzelfsprekende zaak: in elk geval in theorie zijn alle musea die ik ken van het belang van hun publieksgerichte taak overtuigd)?

Het antwoord op de eerste vraag is misschien het eenvoudigste te geven: hoe meer mensen archeologie leuk vinden en begrijpen waar de knelpunten zitten, hoe groter het maatschappelijk draagvlak wordt en hoe meer kans er is, dat belangrijke doelstellingen van bijvoorbeeld archeologische monumentenzorg verwezenlijkt kunnen worden.

Het aanbod
Een antwoord op de tweede vraag moet beginnen met een korte beschrijving van het produkt dat wij te bieden hebben en een analyse van zijn sterke en zwakke punten. Ons produkt wordt gevormd door collecties authentieke oude voorwerpen, meestal afkomstig uit de omgeving van de plaats waarin ze te zien zijn.

Algemeen geldende zwakke punten zijn:

  • De gemiddelde collectie Nederlandse archeologie bevat geen spektakelstukken, die op eigen kracht drommen bezoekers aantrekken.
    De Venus van Mierlo is nu eenmaal de Venus van Milo niet; de thermen van Heerlen zijn minder indrukwekkend dan het Forum Romanum (of zelfs de thermen van Trier); de ketel van Gundestrup is vele malen interessanter dan de sierschijf van Helden.
  • Doordat het orginele voorwerp (in al zijn onvolledigheid) centraal staat, komen de 'evocerende' elementen, dat wil zeggen elementen waarmee je een sfeer wilt overbrengen, wilt appeleren aan het inlevingsvermogen van de bezoekers, op het tweede plan te staan. Wij zullen dus nooit kunnen (en als ik eerlijk ben zou ik dat ook niet echt willen) werven, zoals Archeon, met 'een adembenemende reis door de tijd, waarbij de zintuigen geprikkeld worden door middel van beeld, geluid en geuren.'

De meest voor de hand liggende sterke punten zijn:

  • De getoonde voorwerpen zijn orgineel, ze zijn niet alleen interessant omdat ze oud zijn, maar evenzeer omdat ze een directe relatie hebben met het verleden van de omgeving waarin ze worden gepresenteerd.
  • Als het goed is, worden ze getoond in relatie met hun oorspronkelijke context, met de verdwenen, want opgegraven monumenten waar ze uit afkomstig zijn, die in foto's, tekeningen of (video)films zijn vastgelegd.

Ik denk dat hier nog een ander sterk punt aan toegevoegd kan worden, waarvan we ons misschien zelf nog niet zo bewust zijn:
Hoewel een museale archeologische presentatie vaak per definitie als statisch wordt beschouwd, kunnen we wel degelijk een in elk geval conceptueel dynamisch aspect inbrengen en wel door expliciet aandacht te besteden aan 'het archeologisch bedrijf' dat wil zeggen niet alleen aan de opgraving en alles wat daar bij komt kijken, maar vooral ook aan de wegen die archeologen bewandelen als ze van 'een stel vondsten' naar 'een beeld van het verleden' proberen te komen. De visualisering van 'hoe het geweest zou kunnen zijn' (met behulp van maquettes, diorama's, schilderingen, of, bij voorkeur interactieve, multi-media shows) moet in zo'n presentatie wel degelijk een belangrijke rol spelen, maar op een manier die eerder appeleert aan het begrip dan aan het gevoel van de bezoekers.

Vraag
Als antwoord op de derde vraag: wat verwachten bezoekers van een archeologische opstelling, moeten eerst enkele zaken worden genoemd, die voor elk museum gelden: zo ruim mogelijke openingstijden, goede bereikbaarheid met openbaar vervoer, maar ook een fantastische parkeergelegenheid, een duidelijke bewegwijzering binnen en buiten, een sfeervolle mogelijkheid om iets te eten en te drinken, duidelijke informatie, een winkeltje met op zijn minst mooie en betaalbare prentbriefkaarten en boekjes etcetera. Uit ervaring weet ik hoe fnuikend het ontbreken van (een deel van) deze voorzieningen werkt: het huidige Bonnefantenmuseum ligt weliswaar in het hart van de binnenstad, maar heeft een nauwelijks zichtbare entree (verborgen tussen de terras-stoelen), in een gebouw dat alleen wij als 'ons museum' zagen, maar dat voor de rest van de wereld, de andere gebruikers voorop, primair een winkelcentrum is.

Voor de rest geldt het gezegde 'zoveel mensen, zoveel zinnen'. 'Het publiek' (en dus ook 'de toerist') is geen eenvormige massa, maar bestaat uit een aantal groepen, elk met eigen wensen en verwachtingen.

In de lopende discussie over de publieksbenadering in het nieuwe Bonnefantenmuseum wordt 'het publiek' daarom onderverdeeld in vier verschillende groepen.

  1. Mensen uit de eigen omgeving, die het museum als 'hun' museum beschouwen.
  2. Toeristen of dagjesmensen, die via vakantie of dagtocht wel in de buurt zijn, maar niet de vooropgestelde bedoeling hebben om het museum te bezoeken.
  3. Lieden met een algemene culturele belangstelling, die bereid zijn op stap te gaan voor een museumbezoek, wanneer ze weten dat ergens iets leuks te beleven is.
  4. Vakmatig geïnteresseerden.

Voor al deze doelgroepen (1) zou een gerichte benadering ontwikkeld moeten worden, waarbij aan de wensen van de groep tegemoet wordt gekomen, zonder dat dit ten koste gaat van de voor het museum belangrijke culturele waarden, of van de belangen van de andere groepen (enkele flauwe voorbeelden: als een museum volledig zou voldoen aan de wensen van onze vierde groep, de vakidioten, jaagt het geheid de andere groepen de deur uit; als het zich eenzijdig richt op schoolklassen uit de regio, komen volwassen toeristen onvoldoende aan bod etcetera).

De meeste bezoekers willen van een archeologische opstelling in elk geval dat er meer (of beter: iets anders) te zien is dan eindelozen rijen vitrines volgepropt met steentjes en scherven. Ze hopen bijvoorbeeld dat er:

  • heldere zaalteksten en bijschriften zijn, zonder onverklaard jargon;
  • aandacht wordt besteed aan het verleden ('de mens') achter de potten;
  • duidelijk wordt gemaakt hoe en waarom de voorwerpen in de grond terecht zijn gekomen, maar ook hoe en waarom archeologen ze er weer uit te voorschijn hebben gehaald;
  • mogelijkheden zijn om zelf actief met de getoonde vondsten bezig te zijn.

Oneerbiedig samengevat: onze doelgroepen verwachten dus vooral een aangename verpakking om onze kostbaarheden heen. Bovendien willen ze graag kunnen kiezen welke soort en hoeveel informatie ze komen opdoen. Het Bonnefantenmuseum wil daarom streven naar een gedifferentieerd pakket van informatiemateriaal, als aanvulling op een opstelling die op optimale wijze een beeld van het (archeologische) verleden van de provincie Limburg presenteert.

Strategieën voor de toekomst
Bij de laatste vraag, hoe kunnen we meer mensen naar binnen halen, zal ik me concentreren op de mogelijke benadering van de doelgroepen b en c, want dat zijn de 'toeristen' waar het op deze themadag over gaat.
Als eerste strategie zie ik dan:
het regelmatig aanbieden van spannende tijdelijke tentoonstellingen die dan natuurlijk door middel van alle mogelijke wervende technieken in ruime mate bekend moeten worden gemaakt (investeren in publiciteit en voorlichting).
Ik denk dat musea bij de media belangstelling voor archeologische tentoonstellingen kunnen wekken door de relatie tussen de 'unieke vondsten uit de spannende opgravingen' waar de media uit zichzelf nogal op kicken,(2) en de expositie te benadrukken.
Zelfs met beperkte middelen kunnen dan goede effecten worden bereikt, zoals we bij de publiciteit voor Oermensen in Nederland hebben gemerkt. In de drie herfstmaanden dat deze expositie in 1990 in ons museum stond, kwam 40% van het totale aantal bezoekers van dat jaar. Daar waren (getuige het vele 'Hollands' dat op zaal te horen was) vrij veel toeristen bij.

Bij de andere strategieën wordt de archeologische collectie niet autonoom gebruikt, maar in een variabele context. Enerzijds kan men de archeologie als aantrekkelijk, maar niet overheersend, onderdeel van het totale museale pakket presenteren. Deze strategie is zowel gericht op doelgroep b als op groep c. Het wervende verhaal wordt dan iets in de trant van: 'kom een dag gezellig naar het fantastische nieuwe Bonnefantenmuseum, gebouwd door een van de beste architecten ter wereld, je kunt er koffie met vlaai krijgen op een terras met uitzicht op de Maas en op de oude binnenstad; ze hebben er een buitengewoon importante collectie moderne kunst (die je voor je goede fatsoen gezien moet hebben), een stel fraaie Italiaanse schilderijen, een echt leuke maquette van Maastricht (je weet wel, de oudste en volgens sommigen de mooiste stad van Nederland, waar je eigenlijk al een beetje in het buitenland bent) en, alsof dat allemaal nog niet spannend genoeg is: ze hebben er niet alleen vondsten van Romeinen, maar zelfs van de oudste bewoners van Nederland, en je kunt er ook bekijken hoe die oermensen geleefd hebben'.
Een variant, waar we nu al goede ervaringen mee hebben, berust op intensieve samenwerking met de gemeentelijke VVV: die organiseert allerlei stadswandelingen (zowel voor groepen als op vaste tijden voor individuele toeristen), waarbij naar keuze ook het museum wordt bezocht. De, voortreffelijke, gidsen zijn van te voren door het museum geïnstrueerd.

Anderzijds kan een strategie worden gevolgd, vooral gericht op verblijfstoeristen en dagjesmensen, waarin de museale collectie in het overige archeologische aanbod van de streek wordt geïntegreerd. Als concreet voorbeeld noem ik allereerst de nieuwe aanpak van gecombineerde rondleidingen langs opgravingen en museum die sinds een tijdje in Nijmegen bestaat. Daar zouden alle musea in de buurt van langdurige opgravingsprojecten op in kunnen springen. In Maastricht functioneert een verwant project: de op initiatief van de VVV door Wim Dijkman (van de stadsarcheologische dienst) gemaakte archeologische wandeling door Maastricht (met bijbehorende speurtocht), die in het museum eindigt.

In het verlengde hiervan liggen zaken als: streven naar actieve samenwerking met toeristische professionals; proberen te bereiken dat alle TRAP- en aanverwante archeo-toeristische routes systematisch langs musea worden geleid. Zo kunnen we hopelijk tegelijk bereiken dat de musea meer dan tot nu toe door de toeristische wereld bij de informatieverschaffing worden betrokken; dat gebeurt nu helaas veel te weinig. De op zich aantrekkelijke interlimburgse monumentenroute bijvoorbeeld (samengesteld door de provinciale besturen van de beide Limburgen) stemt mij buitengewoon droef, omdat vrijwel alles wat er over archeologie wordt gezegd niet klopt, terwijl de goede informatie in de publicaties van diezelfde provinciale besturen simpel beschikbaar was geweest. Maar misschien geldt ook hier: beter slechte publiciteit dan geen publiciteit. Slechts een te verwaarlozen minderheid van onze bezoekers komt immers klagen dat wij een ander verhaal vertellen dan in zo'n brochure staat.

Conclusie
Ik geloof niet dat 'archeologie in musea' een produkt is waar je de massatoerist mee trekt. Bij de meeste strategieën om de belangstelling te vergroten, verdient een geïntegreerde aanpak de voorkeur, waarbij de archeologische collectie hetzij als component van een regionaal archeologisch totaalpakket. Het is van het allergrootste belang dat naar actieve samenwerking wordt gezocht met professionele organisaties op toeristisch gebied, zodat ieders specifieke kennis optimaal benut wordt.

Noten

  1. In marketingjargon: segmenten van de markt, zie bijvoorbeeld het rapport van M. van der Reijden en F. de Leeuw, Marketing mits. Verslag van een proefprojekt Marketing in vijf culturele instellingen. Ministerie van WVC (Den Haag 1989).
  2. Vergelijk A. Cannegieter, Archeologie in de krant. Archeologisch Informatie Cahier 1 (Leiden 1991).

 

inhoudsopgave | vorig artikel | volgend artikel | alle artikelen