|
|
|
Archeologie en Publiek
jaargang 3 nummer 1, juni 1992
ARCHEOLOGIE IN DE KRANT. EEN ONDERZOEK HERSCHREVEN
Koos Steehouwer
Het had zo mooi kunnen zijn. Eindelijk eens een goede, want getalsmatig onderbouwde analyse van de relatie tussen archeoloog en persmuskiet. Dat was immers de opzet van Archeologie in de krant, het Archeologisch Informatie Cahier 1 van het Archeologisch Informatie Centrum in Leiden. Scherper gesteld vormde het uitgangspunt voor deze studie de vraag; 'Hoe vaak, hoe en waar komt archeologie aan de orde in de schrijvende pers' (pag. 4). Daartoe werden alle 346 kranteknipsels uit de periode 21 november tot 22 december 1990, verkregen via de Knipsel Info Service te Almere, door AIC-stagiaire Alexandra Cannegieter op de pijnbank gelegd en ontleed op herkomst, lengte, aanleiding en nog een heleboel dwingende vragen meer. Een studie dus, die qua opzet een waardevolle bijdrage aan de public-relations discussie binnen de archeologie had kunnen leveren.
Maar helaas, het heeft niet zo mogen zijn. Want werken met getallen is een vak, zou de statisticus zeggen. En op het glibberige numerieke pad is het AIC onderuit gegaan. Daardoor is een belangrijk deel van de eindconclusies van deze studie helaas onbruikbaar.
Zo is de gevolgtrekking die het AIC zelf als de 'meest spectaculaire ontdekking' van deze studie ziet, niet alleen aantoonbaar onjuist, maar blijkt zelfs een volledige omkering te zijn van de vaststelbare feiten.
Maar gelukkig hoeven we het informatiecahier om die reden nog niet weg te gooien. Want het AIC is wel zo verstandig geweest om de raw data mee te publiceren, waardoor we zelf conclusies kunnen trekken. Aan de hand van deze gegevens zullen we hier het onderzoek op de hoofdpunten nog eens overdoen.
Ondoordachte opzet
Een groot probleem met de opzet van deze AIC-studie is dat het onderzoeksterrein nergens goed wordt afgebakend. Bovendien worden de redenen om de gegevens zo te groeperen als is gebeurd, vaak onvoldoende toegelicht.
Wie de neerslag van de archeologie in 'de Nederlandse pers' wenst te bestuderen kan zich bijvoorbeeld niet beperken tot alleen die 113 dag- en weekbladen die in de onderzoeksperiode ook daadwerkelijk een stukje hebben geleverd; alle 1458 Nederlandse bladen in die categorie moeten dan worden bekeken op de vraag of zij, gezien hun opzet en doelgroep (komen bijvoorbeeld de Zeeland Woonkrant, Mare of Puntsgewijs? in aanmerking?), een stukje over archeologie hadden kunnen plaatsen. Vervolgens zou in de overblijvende categorie ook de score 'nul artikelen' (voor bijvoorbeeld het Franeker Nieuwsblad) voor het eindresultaat moeten worden meegeteld. Omdat die uitzoekerij een vrijwel onmogelijke opgave is, lijkt het om te beginnen zinnig om het onderzoek te beperken tot de 'echte kranten; de dagbladen bestemd voor het algemene publiek. Deze categorie publicaties lijkt namelijk vrijwel compleet in het onderzoek te zijn vertegenwoordigd. Maar hoewel de titel van het AIC-cahier suggereert dat het onderzoek ook werkelijk tot deze 'kranten' is beperkt, blijkt dat helaas niet consequent te zijn gebeurd; zo vinden we bij de categorie 'landelijke pers' nog drie specialistische publicaties ondergebracht; Cobouw, de Ingenieurskrant en de Mikro Gids, die wezenlijk aan het resultaat van deze groep bijdragen. Dat naast de gewone lokale- en plaatselijke kranten ook 31 huis-aan-huisbladen opgenomen zijn, is wellicht te verdedigen; deze advertentiebladen hebben soms een redelijk hoog gehalte aan lokaal nieuws. Maar al kan het onderzoek van deze categorie zeker zinvol zijn, het brengt ook methodologische problemen mee. Want als we dagbladen en weekbladen gaan vermengen heeft dat belangrijke consequenties voor de totaalscore; dagbladen verschijnen immers zes maal zo vaak als het gemiddelde huis-aan-huisblad. Deze groep moet dus, in tegenstelling tot wat hier is gebeurd, in een eigen categorie worden ondergebracht.
Schoonheidsfouten
Archeologie in de krant lijdt behalve onder een ondoordachte opzet, ook onder een aantal schoonheidsfouten. Soms lijken die fouten een wezenlijke invloed te hebben op de conclusies. Zoals bijvoorbeeld bij de onderverdeling van de nieuwsberichten naar soort archeologie (tabel onderaan pag. 12). De stadsarcheologie scoort hier hoog, met 107 van alle 171 nieuwsberichten. Dat leidt dan ook tot de conclusie op pagina 7: 'Stadsarcheologie is goed voor twee/derde van alle nieuwsberichten'. Maar in feite blijkt deze score sterk te zijn bepaald doordat de opgraving in Diemen tot de (Amsterdamse) stadsarcheologie is gerekend. Indien wij deze buitenstedelijke opgraving (goed voor 32 berichten), net als de gelijktijdige opgraving te Empel (in de periferie van Den Bosch, dat ook over een stadsarcheoloog beschikt), onder de regionale archeologie hadden geplaatst, had de regionale archeologie (met 81 tegen 75 vermeldingen), de stadsarcheologie geklopt.
We hebben een (beperkte) controle-mogelijkheid; indien de stadsarcheologie werkelijk zo structureel dominant is als nieuwsleverancier als hier wordt gesuggereerd, zou de middeleeuwse archeologie (waarmee de stadsarcheologen zich in hoofdzaak bezighouden) van alle periodes de meeste publicitaire aandacht hebben moeten trekken. Maar uit de beide tabellen op pagina 12 (onderverdeling naar tijdvak), blijkt dat niet; de middeleeuwse archeologie scoort slechts 18% -- 27% van het totaal. De stadsarcheologie scoort ongetwijfeld wel hoog, vooral in de categorie incidentele berichten, maar niet zo hoog als hier is gesuggereerd.
Een andere schoonheidsfout met gevolgen vinden we bij De Gelderlander; de freak-score van 35 archeologische artikelen voor dit 'regionale' blad (de tweede op de ranglijst scoort er slechts 9) kan wellicht worden verklaart door de toevoeging; tien edities. Het gaat daarom waarschijnlijk over tien plaatselijke kranten met elke een goede maar gemiddelde score aan archeologische artikelen.
Juiste conclusies
Maar laten we eerst eens aangeven met welke van de AIC-conclusies op pagina 7 we het wél eens kunnen zijn. Zo is het zeker waar dat er een constante stroom van incidentele informatie over archeologie is, die via een fijnmazig netwerk een zeer groot publiek bereikt. Een stroom van vijftig tot honderd artikelen per week is niet mis. Landelijke, regionale en plaatselijke kranten, dag- en weekbladen nemen alle deel aan deze stortvloed van archeologische berichten. Het is ook waar dat midden-Nederland, van Den Haag tot Arnhem, de meeste archeologische berichten onder ogen krijgt. Een duidelijke voorkeur voor een bepaalde periode valt in deze berichtenstroom niet te onderscheiden. Of het moest zijn dat de post-middeleeuwse archeologie weinig aandacht krijgt. Maar dat is gezien de geringe hoeveelheid verricht werk op dit terrein dan ook geen wonder. Ook boeiend is het gegeven dat slechts een/vijfde tot een/derde deel van de berichten de archeologie buiten ons land betreft. Die nadruk op de Nederlandse archeologie in de berichtgeving is een duidelijke aanwijzing dat vooral de archeologie-dicht-bij-huis de belangstelling van het publiek trekt. Maar met deze stelling is ons verschil met AIC eigenlijk al begonnen.
Landelijke bladen achteraan?
De meest opmerkelijke conclusie van Archeologie in de krant is de stelling 'het meeste archeologische nieuws is in plaatselijke en regionale bladen te lezen, waaronder nog al wat huis-aan-huisbladen'. Riemer Knoop, hoofd van het AIC, laat in een interview in Archeologie en Publiek 1 (pag. 9) blijken dat hij deze conclusie het belangrijkste resultaat vindt van het onderzoek. Knoop; 'De meest spectaculaire ontdekking is, dat er op lokaal en regionaal niveau een constante stroom van archeologische informatie is, terwijl de landelijke dagbladen nauwelijks aandacht aan archeologie besteden'.
Helaas is deze stelling aantoonbaar onjuist. Wellicht hebben Knoop en Cannegieter zich hierbij laten leiden door de schijnbaar overweldigende hoeveelheid berichten in de regionale en plaatselijke pers, namelijk 307, tegenover de schamel lijkende score van 39 artikelen in de 'grote' landelijke pers. Maar daarbij moeten we wel bedenken dat er in dit onderzoek slechts 10 landelijke tegenover 113 plaatselijke en regionale bladen staan (feitelijk gaat het om 123 niet-landelijke bladen gezien de 10 edities van De Gelderlander, maar volgens de AIC-telling betreft het slechts 111 bladen). Maar om de gestelde vraag: 'welk type besteed de meeste aandacht aan archeologie' te kunnen beantwoorden moeten we niet kijken naar de totaalscore per categorie, maar naar de gemiddelde score per type krant. Als we dat doen rolt er een hele andere dan de AIC-conclusie uit de bus.
Want in de tien landelijke bladen, vonden we dat in de controleperiode 39 artikelen, wat een gemiddelde geeft van 3,9 archeologisch artikel per blad per maand. Zoals we hierboven aangaven is deze score feitelijk onzuiver, want bij de zeven grote landelijke kranten (A.D., Courant Nieuws van de Dag, NRC, Parool, Telegraaf, Trouw en Volkskrant) zijn nog de drie publicitaire buitenbeentjes van dit onderzoek gerekend, namelijk Cobouw, de Ingenieurskrant en de Mikro Gids.
De hoofdconclusie omgekeerd
Als we het onderzoek beperken tot de 'echte' kranten, bedraagt de score van de zeven grote landelijke dagbladen 33 artikelen, een gemiddelde van 4,7 artikel per blad per maand.
Maken we dezelfde berekening voor de vertegenwoordigde regionale en plaatselijke pers, dan blijken 74 regionale bladen 204 archeologische artikelen te hebben geplaatst, gemiddeld dus 2,8 artikelen per blad per maand. De 48 plaatselijke bladen scoorden in dezelfde periode 103 artikelen, een gemiddelde van 2,1 artikel.
Deze gegevens tonen aan dat de landelijke kranten in hun kolommen dus de meeste aandacht besteden aan archeologie, op afstand gevolgd door de regionale kranten, terwijl de plaatselijke pers als hekkesluiter optreed.
Maar misschien is dit resultaat sterk beïnvloed door een andere genoemde 'onzuiverheid' in deze studie, namelijk de aanwezigheid van 31 huis-aan-huisbladen tussen de reguliere kranten. Deze huis-aan-huisbladen scoren laag, wat mede het gevolg is van hun lage (wekelijkse) verschijningsfrequentie ten opzichte van de dagbladen. Zij scoorden in de onderzoeksperiode gemiddeld slechts 1,5 archeologisch artikel (47 artikelen op 31 bladen). De overblijvende regionale en plaatselijke dagbladen scoren na de verwijdering van de huis-aan-huisbladen dan ook beter; 260 artikelen op 82 kranten, een gemiddelde van 3,2 archeologische artikelen per krant per maand. Maar ook deze score blijft ver onder die van de grote landelijke dagbladen, zodat onze conclusie onaangetast blijft; de landelijke dagbladen besteden de meeste aandacht aan archeologie.
Daarbij moeten we ook nog bedenken dat wél alle grote landelijke kranten in het onderzoek zijn betrokken maar dat er omgekeerd meer dan achthonderdvijftig huis-aan-huisbladen aan deze telling ontbreken, om de eenvoudige reden dat zij in de onderzoeksperiode geen enkel artikel over archeologie hebben geplaatst. Zij zouden de gemiddelde score in hun categorie ver omlaag brengen.
Grote kranten, meer archeologie
Dat de plaatselijke pers zo laag scoort is overigens niet in tegenspraak met onze eerdere conclusie dat de archeologie-dicht-bij-huis de meeste publicitaire aandacht trekt; in de meeste Nederlandse gemeenten vond tijdens de onderzoeksperiode immers geen archeologisch onderzoek van belang plaats, zodat de plaatselijke pers er niet over kon schrijven.
We kunnen onze conclusie over de rol van de krant nog uitbreiden door op dezelfde wijze als hiervoor de score te berekenen van de tien grootste niet-landelijke dagbladen. Deze tien regionale en plaatselijke bladen plaatsten namelijk gezamenlijk 47 archeologische artikelen; een gemiddelde score van 4,7 wat volledig overeenstemt met die van de grote landelijke dagbladen. Misschien mogen we daaruit de conclusie trekken dat naarmate een dagblad groter is, het meer geneigd is om artikelen over archeologische onderwerpen te plaatsen. Ook voor de archeoloog een interessante conclusie.
Voornamelijk vondstberichten?
Een andere AIC-gevolgtrekking die op zijn kop kan worden gezet, is die over de aard van de persberichten. De betreffende conclusie luidt; 'de meeste berichten over archeologie in de schrijvende pers betreffen vondsten en opgravingen' (pag. 7). Het lijkt geen opvallende of gewaagde stelling. Immers, zeker voor de buitenwacht lijkt de archeologie te bestaan bij de gratie van vondsten en opgravingen. Ware het niet dat de gegevens over de aanleiding tot de berichtgeving (op pagina 10 en 11) ons nu juist tot een geheel andere conclusie dwingen. In twee tabellen worden hier tien verschillende aanleidingen tot het plaatsen van een archeologisch bericht genoemd. De categorie 'vondst', goed voor 34 tot 39 procent van alle berichten is inderdaad de omvangrijkste. Opgravingen kunnen verder nog schuil gaan in de categorie 'museum of site', goed voor 7 tot 10 procent van alle 'aanleidingen'. Maar gezamenlijk overtreffen zijn nooit, ook niet in de drie controlemaanden, de vijftig procent. Het lijkt er eerder op dat de berichten naar aanleiding van vondsten en opgravingen doorgaans 'slechts' een ruime veertig procent van het totaal scoren. Dat betekent dus dat de meerderheid van de artikelen over archeologie nu net niet naar aanleiding van een vondst of een opgraving wordt geschreven. Vondstberichten zijn in de minderheid, en dat mag gerust een spectaculaire conclusie worden genoemd!
Populair of niet? -- de harde cijfers
Tenslotte zouden we in het voetspoor van Archeologie in de krant nog eens kunnen bepalen hoe belangrijk de archeologie nu eigenlijk is in de berichtgeving over wetenschap en techniek in de Nederlandse krant. Het AIC-rapport concludeert 'Archeologie beslaat maximaal 2% van de ruimte die in totaal aan wetenschap wordt besteed' (pag. 7), maar zij baseert dat op een onmogelijke exercitie waarbij alle 1458 Nederlandse dag-, week- en huis-aan-huis-bladen over één kam worden geschoren. Praten over het belang van procenten is moeilijk. Maar in feite gaat het hier om de vraag; krijgt archeologie nu haar 'gerechte' aandeel in de berichtenstroom of niet? Volgens het AIC niet; noot 2 op pagina 13 concludeert: 'voor archeologie wordt relatief zeer weinig ruimte vrijgemaakt'.
Bij gebrek aan gegevens zullen we hier niet proberen om het archeologisch gehalte van de gemiddelde Nederlandse krant te bepalen. Alleen voor de zes grootste landelijke kranten bestaan bruikbare vergelijkingsaantallen. In het rapport Wetenschap in beeld/wetenschap in de krant (1) wordt berekend dat de landelijke dagbladen 2,2 tot 5,1% van hun redactionele ruimte inruimen aan onderwerpen van wetenschap en techniek. We weten inmiddels dat deze kranten ook 4,7 archeologisch artikel per maand plaatsen, oftewel ruim 1 artikel in de week. Dat artikel heeft een gemiddelde grootte van circa 1 kolom (tabel op pag. 13 van Archeologie in de krant). Uitgaande van 16 redactionele pagina's per dag en een 7-koloms opmaak (eveneens ontleend aan pag. 13 van Archeologie in de krant) is het gemiddelde aandeel van de archeologie 1/672 oftewel 0,15% van de (landelijke) krant. Dat is dus 2,9 tot 6,8% van alle berichtgeving over wetenschap en techniek. Een gemiddelde score van 4,9% is echter ongetwijfeld hoog voor een 'marginale' wetenschap als de archeologie; we zouden willen dat we over bijna vijf procent van alle mankracht en fondsen binnen de wetenschap konden beschikken. Een eenvoudige conclusie tot slot dus; archeologie is populair in de (landelijke) pers, veel populairder althans dan op grond van de omvang van de wetenschap mocht worden verwacht!
Noten
- Stichting PWT, Utrecht 1991.
inhoudsopgave | vorig artikel | volgend artikel | alle artikelen
|