|
Archeologie en Publiek jaargang 3 nummer 1, juni 1992
HET MADURODAM-EFFECT VAN HET RMO. EEN INTERVIEW MET CEES JAN VAN GOLEN Saskia van Dockum Op 24 oktober 1993, op de dag af 175 jaar nadat C.J.C. Reuvens als eerste hoogleraar in de archeologie aan de Rijksuniversiteit (RUL) zijn inaugurele rede uitsprak, gaat de nieuwe Nederlandse afdeling van het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden open. In twee jaar tijd moet de tweede verdieping van het museum een totale gedaanteverandering ondergaan; de afdeling is dan ook vanaf 3 februari 1992 gesloten voor het publiek. Voor de ruimtelijke vormgeving van de nieuwe afdeling is de hulp ingeroepen van architectenbureau Jowa. Gracia Lebbink verzorgt de grafische vormgeving. Totale kosten van het project: 5,2 miljoen, waarvan 3,3 miljoen bouwkosten en 1,9 miljoen inrichtingskosten. Reden voor een gesprek met het hoofd presentatie van 's lands belangrijkste archeologische museum (circa 100.000 bezoekers per jaar): Cees Jan van Golen. Van Golen is geen onbekende in de museumwereld. Hij studeerde geschiedenis aan de RUL waarbij zijn aandacht getrokken werd door uitersten: de moderne tijd en de prehistorie. Tijdens zij studie volgde hij een bijvak prehistorie aan het IPL bij Modderman. In 1977 studeerde hij af op een politiek onderwerp. Een jaar later trad hij in dienst van het Museon, toen nog het Museum voor het Onderwijs. Hij bleef er twaalf jaar. Een tijd waarover hij nu zegt: "Een verschrikkelijk leuke periode, het museum moest helemaal opnieuw worden opgezet. Een idee moest werkelijk worden. De presentatie van het Museon richt zich met name op kinderen, maar dan op zo'n manier dat ouderen zich er ook niet vervelen. Dat vergt enorm veel creativiteit. Alleen was mijn creativiteit na zoveel jaren werken met en voor kinderen (Van Golen zat ook nog vier jaar in het onderwijs, SvD) opgedroogd. Bovendien wilde ik ook eens wat wetenschappelijker benadering van zaken. Die mogelijkheid bood mijn huidige functie." In de twee jaar dat Van Golen bij het RMO werkt heeft hij een aantal grote projecten begeleid: de Belvédère-expositie, de Schliemann-tentoonstelling, de productie van de grootbeeld-video's Uit klei geboren over de archeologie van het Nabije Oosten en De grens van de Etrusken, de oplevering van de nieuwe glaszaal en op dit moment de nieuwe inrichting van de Nederlandse afdeling. Over die afdeling wil hij liever nog niet al te veel kwijt: "We zitten momenteel nog in de fase van het schetsontwerp. Het is in ieder geval duidelijk dat we een expositie willen voor een groot publiek. Vakgenoten komen toch wel aan hun trekken. Om die laatste groep niet teleur te stellen zullen er ook kabinetten ingericht worden met meer gedetailleerde informatie. "Op de eerste plaats moet er flink aan het gebouw gesleuteld worden. Het gebouw moet terug gebracht worden tot zijn oorspronkelijke muren, dat betekent dat de blokkendozen op de afdeling gaan verdwijnen. Verder zal de looprichting precies omgekeerd aan de huidige worden. Liep je vroeger, als je het tenminste goed deed, linksom, nu wordt je rechtsom geleid. Dit heeft vooral een praktische reden: De Romeinse Tijd leent zich, meer dan de andere perioden, voor een uitgebreide behandeling in de bijzalen (waar zich momenteel de expositie over stadsarcheologie en een reconstructie van een Bandkeramisch huis bevindt, SvD). De nieuwe expositie zet rond het jaar 1500 een punt achter het verhaal. Begint daar niet juist een voor het grote publiek heel interessante periode en is het niet achterhaald om een archeologische afdeling daar te laten ophouden? Op initiatief van Van Golen startte het museum onlangs met een nieuwe reeks catalogi. Reeds verschenen zijn: Glas in de Oudheid, De Etruskische Cultuur en De archeologie van het Nabije Oosten (Bataafsche Leeuw, 27,50 per stuk). Bij de nieuwe afdeling zullen nog eens drie nieuwe delen verschijnen: De Prehistorie, De Romeinse Tijd en een deeltje over De Middeleeuwen. Van Golen heeft, wat betreft het bereik van het RMO één belangrijk doel voor ogen: "Ik wil de doelgroepen van het museum meer spreiden dan tot voor kort gebeurde. Voor elk wat wils bieden, ieder op zijn eigen niveau bedienen. In de praktijk doen we dat nu al: we organiseren themaweekenden die gemiddeld 1.500 tot 2.000 bezoekers trekken. Onlangs was er het Trojeweekend waarbij een school uit een Leidse buurt het Paard van Troje binnenbracht. Het effect: met de kinderen kwamen ouders en grootouders mee, die na afloop van het festijn aankondigden het museum zeker nog eens uitgebreider te willen bezoeken. Zo hebben we dus een groep Leidenaren gewonnen die het museum niet eerder bezocht had.
inhoudsopgave | vorig artikel | volgend artikel | alle artikelen |