Archeologie en Publiek

jaargang 8 nummer 1, maart 1997

 

ARCHEOLOGISCHE PRESENTATIES IN NEDERLAND

Lezing ter gelegenheid van de presentatie op de studiedag te Borger van het gelijknamige rapport ten behoeve van het Ministerie van OCenW.

Evert van Ginkel

Dames en heren,

Over een uur wordt het rapport over archeologische presentaties uitgereikt, het rapport waar mijn collega's en ik intensief en met veel genoegen aan hebben gewerkt.
Ik wil hier geen toelichting geven op het rapport Archeologische presentaties in Nederland, maar aan dezelfde onderwerpen die erin worden behandeld een paar overwegingen toevoegen; zaken die zich gemakkelijker laten vatten in een beschouwende lezing dan in de regels van een ambtelijk rapport.

Allereerst dit: in Archaeological Dialogues stond een discussie waarin de ene archeoloog van de ander verwachtte dat die duidelijk zou uitkomen voor zijn persoonlijke achtergrond en instelling, omdat dat zijn argumentatie inzichtelijker zou maken. Daar zit wat in. Vandaar dat ik in Leiden klassieke talen heb gestudeerd, en daarna culturele prehistorie bij Modderman, en sinds 1982 mijn geld verdien met het presenteren van de Nederlandse archeologie, in de ruimste zin van het woord. Ik zou verder durven zeggen dat ik daarbij eerder conservatief en traditioneel dan vernieuwend denk en werk. Ik schrijf dat mede toe aan mijn opleidingen, voor de grote universitaire omwentelingen genoten, in Leiden, aan kleine instituten. Het is maar dat u het weet. Als ik in dit verhaal citaten gebruik, zijn die ook niet van hedendaagse filosofen of sociologen.

Een paar algemeenheden over archeologische presentaties. In ons rapport onderscheiden we drie ruime categorieën, die elkaar gedeeltelijk overlappen. Het zijn: de museale presentaties, de informatie bij en rond zichtbare archeologische monumenten -- archeologische landschapselementen, zoals Bert Groenewoudt en ik ze ooit hebben gedoopt -- en de reconstructies die bedoeld zijn voor actief recreatief en/of educatief gebruik. De tweede categorie, het buitengebeuren zal ik maar zeggen, omvat enkele subcategorieën. De instelling waar wij hier bijeen zijn is er bijvoorbeeld een van: een informatiecentrum, te onderscheiden van een museum doordat er weinig of geen authentieke voorwerpen zijn opgesteld en doordat het sterk gericht is op voorlichting over zaken die in de omgeving moeten worden gezien en beleefd. Ook archeologische auto-, fiets- en wandelroutes rekenen wij ertoe, en ook die merkwaardige maar interessante groep die wij in navolging van Riemer Knoop memorials noemen. Als memorial beschouwen wij bijvoorbeeld het enige Friese hunebed, dat al anderhalve eeuw geleden verdween maar waarvan de plaats en aard later is aangeduid. Memorials zitten in de lift; daarover straks meer.
Een belangrijke categorie presentaties ontbreekt in dit lijstje van drie: de presentatie van lopend archeologisch onderzoek. Panelen bij een opgraving, rondleidingen door de put, open dagen in de laboratoria van de ROB, dat soort dingen. Hele nuttige en indringende presentaties, die we niet in het rapport hebben behandeld vanwege hun incidentele en niet permanente karakter.

Waaraan moet, vinden zowel wij als ons publiek, een archeologische presentatie voldoen? Er moet iets te zien zijn, iets te leren en iets te voelen of zelfs beleven. Museologisch geparafraseerd gaat het om esthetische, educatieve en evocatieve aspecten van de presentatie. Nu zijn de objecten die worden gepresenteerd -- Nederlandse archeologica -- van een uitzonderlijk karakter. Ik zou ze willen omschrijven als: klein van schaal, bescheiden van uiterlijk, ambachtelijk van uitstraling. Meestal zijn ze non-figuratief, vaak zijn ze fragmentarisch. Het zijn geen eigenschappen waar je vandaag de dag mee scoort. 'De zucht naar het nuttige is eene verteerende koorts', meende Potgieter (daar heb je al zo'n oubollig citaat) en zo is tegenwoordig de zucht naar groei en grootschaligheid allesoverheersend. Twee maanden geleden las ik, in Trouw nota bene, twee artikelen van hoogleraren economie die allebei pleitten voor economische groei en hun argumenten onderstreepten met pre- en protohistorische pastiches. Citaat van de een, professor Theeuwes uit Leiden: 'Groei is elke dag kiezen ... als we nooit hadden gekozen, renden we nu nog als knuppels door de vrieskou op zoek naar dinosauruslappen.' Van de ander is me de naam ontschoten, maar hij sprak van een 'schimmig Batavierenrijk' waar we in zouden terugvallen als we het niet wat ruimer zagen inzake de Betuwelijn, Schiphol, dijken, die dingen. U hoort het: niet de sfeer waarin uw potjes en pijpekopjes gedijen.
Geheel afgezien daarvan is het tonen, verklaren en tot de verbeelding doen spreken van die potjes en kopjes niet gemakkelijk en dat stelt hoge eisen aan de presentatie. Persoonlijk vind ik dan ook nog dat de objecten, de begeleidende woorden en beelden en de omringende ruimte in een zekere harmonie ten opzichte van elkaar moeten staan.
Nu is harmonie een betrekkelijk begrip. Het is wat mij betreft niet hetzelfde als 'gelijkmatig'. Het hangt ook een beetje van het soort presentatie af. In het Prehistorisch dorp Eindhoven gaat het allereerst om de beleving, krijg je pas bij navraag informatie en zijn de vorm en textuur van de gebruikte (nagemaakte) voorwerpen onderdeel van de beleving. Toch is hier wel degelijk sprake van een harmonische presentatie.
Nadruk op informatie mag ook. Het stoort mij in een informaticentrum als het NHI absoluut niet als daar geen speciale aandacht wordt besteed aan de schoonheid van het Trechterbekeraardewerk of van gepolijste vuurstenen bijlen. Ik bedoel dit laatste niet ironisch! Ik geloof in de esthetische kwaliteiten van zeer veel van het Nederlandse archeologische materiaal, en dat ik het eerder 'bescheiden' en 'fragmentair' heb genoemd, is daar niet mee in tegenspraak.
Daarmee komen we op een teer punt, en wel waar het de museale presentaties aangaat. De archeologische musea en museale afdelingen hebben (hadden) de slechte naam dat ze 'volhingen met teksten', met andere woorden teveel informatie verschaften; informatie die bovendien niet op de bezoeker was toegesneden. Ik vind dat dit in de meeste musea erg meevalt, tegenwoordig. Wie nu in Leiden, Assen of Zwolle gaat kijken, ziet dat de informatie is opgeschoond en dat er veel aan is gedaan om door begeleidend beeld en tentoonstellingsontwerp de belevingswaarde van de presentatie te verhogen. Helaas is men daarbij vooral in Leiden voorbijgegaan aan de esthetische aspecten van het materiaal, dat voor het grootste deel fantasieloos gerangschikt in onverlichte vitrines ligt. Ik vind Leiden wat dat betreft bepaald onharmonisch.

Recentelijk is er kritiek van geheel ander aard geuit op de Leidse opstelling, namelijk dat de chronologische opzet en de geboden informatie belemmerend werkt bij het 'vormen van een eigen beeld van het verleden' van de bezoeker. De achtergrond van die kritiek is ongetwijfeld, dat er slechts een beperkte hoeveelheid informatie aan archeologische objecten te ontlenen valt en dat die informatie bovendien op tijds- en persoonsgebonden interpretatie berust. Dat is verdomd waar, maar ik zie er geen heil in om de bezoeker zelf zijn verleden te laten bakken met objecten die weliswaar mooi kunnen zijn (ik heb dat eerder geponeerd) maar geen informatie overdragen. 'Daß Objekte für sich sprechen, ist die romantische Schwärmerei einer winzigen gebildeten Elite', luidt een fijne arrogante uitspraak van een heer Rohmeder, die ik dankbaar ontleen aan de doctoraalscriptie van Sandra Marsfelder.
Ik weet ook wel dat de informatie die de presentator overdraagt gebrekkig en vals is, en dat we het over vijftig jaar allemaal veel beter weten (of menen te weten). Ik weet ook dat ik over vijftig jaar waarschijnlijk dood ben, maar dat belet me niet om vandaag een lezing te houden over zaken waar ik in geloof.

Ook uit andere overwegingen, van minder filosofische aard, is het verhaal bij het materiaal in diskrediet aan het raken. In het Centraal Museum in Utrecht is een trend ingezet, later gevolgd in Groningen en naar ik vermoed ook in Maastricht (al is de inrichting daar nog niet compleet), om plaatjes en praatjes zoveel mogelijk te vermijden. Een educatieve benadering is verouderd, vertelde men ons in Utrecht, en dat zullen we weten ook. De directeuren van de genoemde musea -- ik laat hier met nadruk de conservatoren buiten beschouwing -- zeggen of stralen uit, dat in hun opstellingen het materiaal centraal staat. Dat lijkt te getuigen van respect voor dat materiaal. Naar mijn overtuiging is het echter gene. De heren Ex, Haks en Van Grevenstein zijn alle drie vertegenwoordigers van het genus dat als 'kunstpaus' wordt omschreven. Een soortgenoot, de heer Fuchs, kon het zich, bij zijn voor zijn museum zo desastreuze aantreden in Den Haag, permitteren om zich geheel los te maken van de in zijn ogen oneigenlijke historische en archeologische collectie. Die collectie heeft tenminste nog een eigen dak boven het hoofd in het Haags Historisch Museum. Het kan ook anders. De directeur van het Rijksmuseum Twenthe in Enschede schreef ons in het kader van ons rapport: 'In antwoord op uw schrijven kan ik u mededelen dat de bestaande presentatie archeologie, met ingang van 1994, geheel uit het Rijksmuseum Twenthe zal verdwijnen. Hopende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd', etcetera. Duidelijker en korter kan het niet, dachten wij.
Ik ben ervan overtuigd dat menig kunsthistorisch georiënteerd museumdirecteur deze college in stilte benijdt. Zij hebben geen enkele affiniteit met het historische materiaal en zeker niet met het archeologische deel daarvan. Een van kleurige plaatjes voorzien verhaal over steentijdmensen en de bijbehorende onooglijk rommel staat niet erg chique in hun smetteloze zalen met grote doeken en vernuftige installaties, die uitsluitend 'verwijzen naar zichzelf' en dus geen enkele tekst of uitleg behoeven.
In Groningen en Maastricht hebben de directeuren de archeologische presentatie laten sporen met het Gesamtkunstwerk dat hun nieuwe kunsttempels ontegenzeggelijk zijn. Want, voor de goede orde: ik vind de museumgebouwen zowel in Groningen als in Maastricht monumenten van buitengewone allure. Dat de kunst die er wordt gepresenteerd me niets zegt, doet hier niet ter zake. Ik stel vast, met Jan Slofstra in zijn ongepubliceerde maar geruchtmakende Reuvensdagenlezing, dat ik in deze musea niet veel wijzer word over de geschiedenis van de omgeving en dat me ook weinig waardering wordt bijgebracht voor het technisch kunnen en de vormenrijkdom die onze voorouders er op nahielden. Ik besef dat in Maastricht een deel van de begeleidende informatie ontbreekt, maar zoals het materiaal nu is opgesteld, lacht het me niet bepaald toe.
Ik denk dat de archeologische collecties in dit soort musea tegenwoordig slecht onder dak zijn en dat de kunst van vandaag de collecties van gisteren als een koekoeksjong uit het museale nest drukt. Toch hebben de collecties in Groningen en Maastricht wel de ruimte gekregen (in Maastricht zelfs heel veel) en dat kan van het ellendige achterzolderkamertje in Utrecht niet worden gezegd.
Het zal duidelijk zijn: wie deze nieuwe presentaties als esthetisch omschrijft, vindt mij op zijn pad. Dat er wel degelijk veel informatie kan worden ingeleverd en dat een werkelijke esthetische benadering dat kan compenseren, bewijst de presentatie in het Noordbrabants Museum, waar de voorwerpen niet als dode vissen op de bodem van de aquariumbak liggen.

Tot zover wat museumgal. Ik hoop dat er sprake is van een modeverschijnsel, en dat de conservatoren in de toekomst meer gelegenheid krijgen om een evenwichtige archeologische expositie in te richten waarbij object, inhoud en vorm alle tot hun recht komen. Ik zeg dit niet alleen uit eigen overtuiging of voor de lol van de collega's in de musea, maar vooral ten behoeve van het publiek. We weten helaas maar weinig over de mensen die in archeologie geïnteresseerd zijn, maar zij komen zeker niet kijken naar materiaal dat alleen dient als zaalvulling. Het zijn -- ik heb dat al bij eerdere gelegenheden gezegd -- bovendien niet zoveel mensen, en we hoeven die ook nog niet eens uit de musea weg te jagen.
We kunnen er hier en daar wel meer trekken, en ik heb dan een specifiek geval voor ogen waar grote kansen liggen: het Rijksmuseum voor Scheepsarcheologie. Dit museum, dat op dit moment aan de rand van bewoond Nederland ligt en dat niet met openbaar vervoer te bereiken is, zal over een paar jaar verhuizen naar Lelystad en daar met de opvolger van de Batavia een unieke attractie vormen. De collectie van het museum omvat complete scheepswrakken en inventarissen van gaaf materiaal dat in context is gevonden; het is een typisch Nederlandse collectie waarvan het karakter een stuk minder kleinschalig, bescheiden en fragmentair is dan we gewend zijn, terwijl het inhoudelijk allerminst om klatergoud gaat. Ik zou aandelen kopen in het nieuwe museum, in een gerust vertrouwen op dividend. Voorwaarde is wel dat de rijksoverheid, na het jarenlange gesteggel om het geld voor dit museum, bereid is middelen te spenderen aan een presentatie die zich qua uitstraling kan meten met het buurproject, de Zeven Provinciën. Hier ligt een kans die zich pas weer voordoet als de Egyptische mummies van het RMO permanent worden opgesteld in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.

Daarmee zijn we aangekomen bij een onderwerp dat in het rapport speciale aandacht krijgt: de rol van het archeologisch erfgoed binnen het cultuurhistorisch toerisme.
Ik wil daar twee dingen over zeggen. Ten eerste, dat volgens mij alle bezoekers van archeologische presentaties, die niet komen om redenen van studie, cultuurtoeristen zijn. Voor wie belang heeft bij het ontwikkelen van een 'toeristisch produkt' klinkt dit wellicht opbeurend, maar ik wil er waarschuwend aan toevoegen dat die groep niet groot is en dat er geen tekenen zijn dat zij op afzienbare termijn veel groter zal worden. Hoop op massaal bezoek aan archeologische presentaties is doorgaans ijdel, angst ervoor is helemaal overbodig. Die angst betreft vooral de schade die archeologische landschapselementen zouden kunnen oplopen. Afgezien van het ritueel beklimmen van een aantal hunebedden valt de schade door toeristisch bezoek te overzien.

Kunnen we dat bezoek niet stimuleren, door wat dynamiek en dramatiek rond die monumenten te creëren? Een lid van ons groeiende Nederlands-Romeinse legioen laten patrouilleren in een Nijmeegse parkeerkelder, of een virtueel-realistische videoshow in de Hunneschans? Dat lijkt me niet zo'n goed idee. Misschien dat zulke voorzieningen nog publiek trekken ook, maar ze zijn zoveel nadrukkelijker aanwezig dan het monument zelf dat we nauwelijks meer van cultuurtoerisme kunnen spreken. Je kunt dan het authentieke monument ook helemaal weglaten, en daar was het toch om begonnen?
Het is nu al zo, dat de belangstelling voor het niet-authentieke, maar gedramatiseerde veel groter is dan die voor de echte relicten. Onze derde catagorie presentaties, waaronder Archeon en het Prehistorisch Openluchtmuseum Eindhoven vallen -- en in de toekomst hopelijk ook het buitenverblijf van het Nationaal Hunebedden Informatiecentrum -- trekt een aanzienlijk publiek. We mogen aannemen dat dit publiek anders van samenstelling is dan de groep die de conventionele presentaties bezoekt. We mogen ook aannemen dat een deel van die grote groep gestimuleerd wordt om later, mét de kleinere groep, ook de authentieke relicten te gaan bekijken. Ik ben wat dat betreft benieuwd naar de ervaringen in Borger over een jaar of tien. In ieder geval voorzien de dynamische presentaties in een behoefte en hebben ze hun bestaansrecht bewezen. Als de archeologische monumenten-in-het-veld aan een behoefte voldoen is dat een andere. Dat is naar mijn overtuiging de behoefte aan stilte, aan mijmering, aan een landelijke of ook wel verwilderde omgeving, kortom een behoefte die spoort met het kleinschalige, bescheiden en fragmentaire karakter die ik eerder aan onze Nederlandse oudheden toeschreef. Juist het feit dat de huidige maatschappij in het teken staat van Groei en Ontwikkeling en Toekomst kan de behoefte aan het kleine en tijdloze doen toenemen. En laten we wel zijn: de kans bestaat dat over honderd jaar D27 nog op dezelfde plaats staat als nu en de afgelopen vijfduizend jaar, maar dat het wel de komende eeuw ieder jaar honderd liefhebbers van dienst moet zijn.
Als we het hebben over presentatie van archeologische landschapselementen zou ik willen pleiten voor een benadering die zowel aan de behoefte van een wat grotere groep tegemoet komt, als het karakter van de monumenten spaart -- dat karakter is immers hun aantrekkingskracht. Om het eerste te bereiken is het tweede -- alleen sparen -- overigens onvoldoende. 'Accentueren', zou ik zeggen, maar dan met creativiteit en respect. Ik weet dat er binnen de ROB voortdurend wordt en werd nagedacht over dit onderwerp, maar ik denk dat de aandacht toch teveel is uitgegaan naar het fysieke behoud van de afzonderlijke monumenten. Rondom Borger ligt een archeologische fietsroute, met de hier gebruikelijke hunebedden en grafheuvels erlangs.
Teveel daarvan missen naar mijn mening een passende omgeving; teveel staan er aan de rand van een maïsakker, of in een produktiebos, of niet heel ver weg van de snelweg. Nog een laatste ouwelijk citaat, van J. Craandijk uit 1879, met instemming overgenomen uit Hunebedden in Nederland van Redmer Klok: 'De reus wil alleen zijn in zijn graf. Den ruimen horizon der stillen heidevelden heeft hij nodig. Zijn magtig werk wordt kleiner, nietiger, als 't in een kring van boompjes is besloten, en men op een bank kan gaan zitten, om het te bekijken'. Wie de fietsroute rond Borger maakt, kan vaststellen dat dit profetische woorden zijn geweest.
Kijk, die stille heidevelden van meneer Craandijk krijgen we niet terug, dat weet ik ook wel. Sommigen zouden ze niet eens terug willen, met als argument dat ze leiden tot onechte nostalgie en de historische ontwikkeling van het landschap ontkennen. Heel verantwoord gedacht, maar velen zouden graag een klein stukje nostalgie, hoe vals en vertekenend ook, stellen tegenover die historische ontwikkeling van het landschap, die zich wel erg snel heeft voltrokken en de boel er niet mooier op heeft gemaakt.
Ik zou graag, op plaatsen waar dat nog enigszins mogelijk is, het landschap rondom de archeologische monumenten manipuleren, met ruime inbreng van historische-geografen, landschapsarchitecten en natuurbeheerders. De omgeving als presentatie met andere woorden, met een informatiecentrum als het NHI als educatieve afdeling, fraai ontworpen informatiepanelen of zuilen als tekstbordjes en de monumenten opgesteld in een vitrine van doordacht aangebrachte vegetaties. Ik ben ervan overtuigd dat daar nogal wat mensen van komen genieten ook.

Op eenzelfde manier moeten we creatief leren omgaan met de al eerder genoemde memorials. Er is vraag naar die dingen; overheden willen kennelijk graag stukjes verleden inpassen in nieuwe structuren. Of dat nu voortkomt uit overtuiging, uit schuldgevoel of uit de overigens onterechte verwachting dat ze zo een toeristische attractie creëren, doet er eigenlijk niet toe: als wij, de verantwoordelijken voor inhoud en vorm, er maar meer van maken dan opgemetselde muurtjes tussen de nieuwbouw of in de groenstrook. Een memorial is zinvol als vervanging van wat verdwenen is, maar alleen dan als het eenzelfde tijdloosheid en eenzelfde monumentaliteit nastreeft als het verdwenen origineel, en niet gaat dienen als een jongerenhangplek of buitentoilet.

zal duidelijk zijn: de belangen en waarden waar wij als archeologen voor dienen te staan dreigen het slachtoffer te worden van de maatschappelijke ontwikkelingen. Dat is natuurlijk altijd zo geweest, maar dat is geen reden om ons daar vandaag de dag bij neer te leggen. We zijn ook niet helemaal aan de honden overgeleverd, en we hoeven ook niet zieliger te doen dan we zijn. Voorwaarde is dat we geloof houden in de eigen waarde en dat geloof op een zowel serieuze als creatieve manier verdedigen en uitdragen. Dat vergt van ons dat we zelfkritiek durven toe te passen én kritiek op anderen te onderbouwen en uit te spreken. Ik hoop daartoe het mijne te hebben bijgedragen.

 

inhoudsopgave | vorig artikel | volgend artikel | alle artikelen