|
|
|
Archeologie en Publiek
jaargang 8 nummer 1, maart 1997
HERITAGE, EDUCATION AND ARCHAEOLOGY
Verslag van het internationaal seminar georganiseerd door The British Council samen met English Heritage, The World Archaeological Congress en The Department of Archaeology, Southampton University in Southampton/York, oktober 1994.
Marjorie de Grooth
Er waren circa vijftig deelnemers en sprekers (waarvan circa een derde vrouwen) De deelnemerslijst laat zien dat de niet-Britse deelnemers qua herkomst redelijk over Eerste, Tweede en Derde Wereld verdeeld waren. Dit zeer internationale karakter zorgde (mede) voor de heel speciale sfeer. Men verbleef in een tot conferentieoord omgetoverde buitenplaats iets buiten Southampton, Chilworth Manor. Halverwege vond een excursie van twee (lange) dagen plaats, waarbij Stonehenge, Avebury, York (Jorvik en Archaeological Resource Centre) en Kenilworth Castle werden bezocht.
Als leidraad voor dit seminar dienden de volgende uitgangspunten:
- 'Monumenten' worden vaak gepresenteerd op een manier die suggereert dat het verleden statisch is, en dat wij weten hoe het is geweest. Bovendien worden ze gebruikt om grootse prestaties van bepaalde groepen uit het verleden te verheerlijken en zo gevoelens van nationalisme, superioriteit of ethniciteit van huidige bevolkingsgroepen aan te wakkeren.
- Op scholen wordt te weinig aandacht besteed aan niet-schriftelijke bronnen, met het gevolg dat grote delen van het verleden niet aan bod komen; dat geldt ook voor het verleden van minderheidsgroepen.
- Archeologen zijn er steeds sterker van overtuigd dat het verleden niet kan worden gereconstrueerd, hooguit zo goed mogelijk geïnterpreteerd. Elke interpretatie is tijdgebonden en de interpreet als over de reële eigenschappen van materiële overblijfselen uit het verleden.
Aan de hand van deze uitgangspunten zou gediscussieerd moeten worden over zaken als:
- wat is de aard, het wezen van het verleden;
- hoe construeren wij een verleden (of 'verledens') met behulp van allerlei soorten bronnen;
- hoe kan zo'n verleden op allerlei niveaus worden gepresenteerd;
- hoe komen die 'verbeeldingen van het verleden' tenslotte in het formele en informele onderwijs terecht;
- hoe kunnen moderne communicatie technieken het beste worden gebruikt om het erfgoed te presenteren.
De ideologische toon van de discussies werd, niet verwonderlijk gezien de betrokkenheid van het World Archaeological Congress bij de organisatie, mijns inziens perfect gekarakteriseerd in de volgende doelstelling, die ik daarom onvertaald laat: 'To analyse the positive and negative aspects of heritage education, in the context of equal opportunities and non-discrimination'.
De eerste groep lezingen en discussies was gewijd aan de Engelse erfgoedsituatie, uitgaande van de activiteiten van English Heritage. Die werden niet alleen aangeprezen maar ook door speciale gastsprekers als Neil Asherton van The Independent en Sir David Wilson, ex-directeur van het British Museum, van de nodige kritische kanttekeningen voorzien. Bij veel van de 'overzeese' deelnemers, die verlekkerd dan wel diep jaloers naar English Heritage opkeken, wekte Asherton's kritiek op de uitverkoop van het verleden door de 'erfgoedindustrie' vooral verbazing op. Bij Wilson's verhaal reageerde het gros van de deelnemers meer op the medium dan op the message -- of men beschouwde zijn uitgangspunt, dat in een museale opstelling de voorwerpen een hoofdrol dienen te spelen, als per definitie elitair, reactionair en geen serieuze discussie waard.
De rest van de wereld kwam in de tweede helft van de week aan bod. Monumentenzorg als een vorm van cultural resource management speelde hier een belangrijke rol.
In Nederland heeft het erfgoed over het algemeen geen emotionele lading die in het heden doorwerkt. In Maastricht bijvoorbeeld speelt bij de appreciatie van de Romeinse resten, het Spaans Gouvernement (of het zeer Hollands-classicistische stadhuis) het besef dat deze monumenten met vreemde machthebbers waren geassocieerd geen enkele rol.
Elders ligt dat veelal totaal anders. Daar heeft men bijvoorbeeld te maken met monumenten die nog volop functioneren in levende tradities (van een deel van de bevolking); monumenten die door (sub)recente onderdrukkers zijn achtergelaten; monumenten waarmee slechts een deel van de bevolking (hetzij de machthebbers, hetzij minderheden) zich verbonden voelt.
In zulke situaties moet er veel aandacht worden besteed aan de ideële, ethische en morele aspecten van het omgaan met erfgoed. Als voorbeeld van zo'n aanpak noem ik Zimbabwe. Daar wordt sinds 1992 een beleidsplan voor de nationale musea en monumenten uitgevoerd. Het archeologische erfgoed wordt daarbij beschouwd als een resource, een grondstof met culturele, educatieve, financiële en wetenschappelijke waarde. Dit heeft gevoerd toe een educatie van de eigen bevolking en interpretatie.
Een van de pijlers van dit beleidsplan wordt gevormd door een part-time beroepsopleiding van in totaal een jaar, waarmee kader wordt gekweekt dat niet meer zelf rondleidt of lessen geeft, maar kennis via lerarenopleidingen aan anderen doorgeeft. Zo wordt ook voor de regionale spreiding van kennis gezorgd. In deze opleiding werken de universiteiten van Zimbabwe en Southampton samen, met ondersteuning van English Heritage, British Council, Unesco en een aantal donorlanden. In 1980 was er in Zimbabwe één archeoloog, in 1994 waren het er acht.
Illustratief voor de problematiek is Great Zimbabwe: in de jaren dertig door koloniale machthebbers gereconstrueerd op basis van racistische uitgangspunten -- zo'n monument kon niet door lokale bewoners zijn gebouwd, dus moesten er Egyptenaren aan te pas zijn gekomen. Inmiddels is deze reconstructie ondanks zijn foute connotaties wel deel geworden van het erfgoed van de huidige bewoners; hoe moet je bij een komende, hoognodige restauratie te werk gaan? Overigens was er juist van archeologische zijde al heel vroeg op gewezen dat de machtige muren van Great Zimbabwe wel degelijk het werk waren van autochtone bewoners.
Ook uit Latijns-Amerika en Zuid-Afrika werden voorbeelden gepresenteerd waarin archeologen actief bijdroegen aan de emancipatie van autochtone bevolkingsgroepen.
In de lezingen en discussies werd over het algemeen weinig aandacht besteed aan de technische en praktische aspecten van presentatievormen die een groot publiek zouden kunnen bedienen, en evenmin voor het inzetten van moderne communictiemiddelen. Men hield zich vooral bezig met directe kennisoverdracht, die globaal twee vormen kende: 'archeoloogje spelen' en 'oermensje spelen' Veel educatieve projecten vermengden beide aspecten.
'Archeoloogje spelen' gebeurde vaak heel serieus en grootschalig. De meest indrukwekkende voorbeelden kwamen uit Toronto en Osaka.
Het Archaeological Resource Centre in Toronto werkte met kinderen uit de binnenstad, een gebied met circa 600.000 inwoners met gigantische ethnische diversiteit. De kinderen namen deel aan echte opgravingen (onder meer van immigranten-woningen uit het begin van de vorige eeuw, wat de identificatie met de eigen situatie vergemakkelijkte), maar ook aan uitwerking, vondstverwerking en publikatie. Ook voor volwassenen werden cursussen verzorgd. De circa zestig begeleiders -- onder wie 6-7 archeologen -- begeleidden in tien jaar tijd zo'n 100.000 deelnemers. Ondanks alle successen is het project inmiddels wegbezuinigd.
Ook in Osaka (en elders in Japan) werken vaak grote aantallen vrijwilligers mee op opgravingen (op sommige projecten tot circa 5000 -- dit is geen typfout -- per dag. Fascinerend: op open dagen geeft de archeologische staf niet alleen rondleidingen, maar ook voorstellingen waarbij de situatie in het verleden wordt nagespeeld.
In het Archaeological Resource Centre in York -- opgezet met de winsten uit Jorvik en inmiddels in behoorlijke financiële problemen omdat Jorvik minder bezoek trekt -- wordt een 'echte' opgraving begonnen, in de achtertuin. Binnen kunnen kinderen zowel archeoloogje spelen (sorteren en determineren van scherven en botten; zeven van grondmonsters; opzoeken van informatie via interactieve computerprogramma's), als allerlei -- inmiddels bekende -- experimenten uitvoeren. Extra attractie: op de eerste verdieping zitten echte archeologen in een aquariumopstelling te werken.
Het Unesco-project Young People's Participation in World Heritage Preservation and Promotion is in 1994-1995 als internationaal pilot-project van start gegaan (bij mijn weten helaas zonder Nederlandse inbreng): bij gebleken succes zal het van 1996-2001 grootschalig worden voortgezet.
Vooral tijdens de excursie werd overigens goed duidelijk hoe moeilijk het is (archeologische) monumenten van goede informatie te voorzien. Enerzijds bestonden er grote bezwaren tegen evocerende artist's impressions, omdat die een te indringend en statisch beeld van het verleden zouden geven; anderzijds zagen zelfs deze specialisten de aanwezige schriftelijke informatie vaak domweg over het hoofd, en klaagde dan over een gebrek aan tekst en uitleg.
De discussies waren intensief, enthousiast en van hoog niveau, maar vooral ook heel beleefd. Zelfs over zulke beladen thema's als ethniciteit, nationalisme en feminisme werd zonder hevige emoties gesproken. Merkwaardig genoeg barstten de emoties los na de presentatie van indrukwekkende, maar onbetaalbare computersimulaties door een bij IBM werkzame archeoloog. Kernpunt van de verontwaardiging was de ongelijke beschikbaarheid van dit soort high-tech mogelijkheden.
Hoewel ik het congres vooral als waarnemer zou bijwonen, heb ik ook een actieve bijdrage geleverd als discussieleider van een sessie en door het presenteren van een kort overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van 'Archeologie en Publiek' in Nederland. Daarbij heb ik onder meer de activiteiten van het AIC, de Vereniging Archeologie en Publiek, Archeon en, als typisch Nederlandse oplossing, de TRAP-fietsroutes langs archeologische monumenten beschreven.
Inmiddels is zeker dat naar aanleiding van het seminar een publikatie zal verschijnen, niet een bundeling van de gehouden lezingen, maar nieuwe bijdragen waarin de deelnemers op basis van 'The Chilworth Experience' een reflectie geven op hun eigen werksituatie. De bijdragen aan de discussie zullen zoveel mogelijk in redactionele stukken worden verwerkt. Door allerlei omstandigheden was ik helaas niet in staat om aan deze bundel een bijdrage te leveren.
Op uitnodiging van de collega's van de RDMZ in Zeist zal een vervolgcongres in Nederland plaatsvinden.
Tijdens en na dit seminar heb ik de volgende aanbevelingen voor de Nederlandse archeologie bedacht:
- Het belang van het thema 'Archeologie en Maatschappij' (public archaeology) kan niet voldoende onderstreept worden.
- Daartoe zou de VAP haar betrokkenheid bij de SNA nieuwe stijl moeten proberen te vergroten.
- De universitaire instituten zouden meer en structureel aan dacht aan dit thema moeten gaan besteden.
- Gezien de aard van de meeste archeologische monumenten zullen ze nooit zelfstandige toeristische trekpleisters kunnen zijn, maar alleen in combinatie met andere recreatieve geneugten aan een groter publiek kunnen worden verkocht. Hetzij in combinatie met cultuurhistorische monumenten (met andere woorden: de samenwerking tussen archeologen en andere monumentenzorgers verdient te worden geïntensiveerd), hetzij in het kader van, inderdaad, een sportieve wandel- of fietstocht.
- Ik zie bij ons niet zo snel een landelijke erfgoeddienst zoals English Heritage ontstaan, we zullen het meer moeten hebben van lokale en regionale netwerken, waarbij ook de scholen moeten worden betrokken; musea en amateurverenigingen zouden hier een belangrijke rol kunnen spelen.
- Er moeten mogelijkheden worden gezocht om iemand onderzoek te laten doen naar de manieren waarop archeologie (inclusief het aspect methoden en technieken) beter in basisschool en basisvorming kunnen worden geïntegreerd.
- Hoe kunnen we bereiken dat ook Nederland aan het Unesco-project Young People's Participation in World Heritage Preservation and Promotion gaat deelnemen?
Naschrift
Inmiddels is een publikatie naar aanleiding van het seminar verschenen: P.G. Stone en R. MacKenzie, The Excluded Past. Archaeology in Education, London/New York (1995).
inhoudsopgave | vorig artikel | alle artikelen
|